Art. 15 Verordening (EU) nr. 651/2014, Regionale exploitatiesteun

Verordening (EU) nr. 651/2014

1. Regelingen inzake regionale exploitatiesteun in ultraperifere gebieden en dunbevolkte gebieden zoals die door de lidstaten op hun door de Commissie goedgekeurde regionale-steunkaart zijn aangewezen overeenkomstig punt 161 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 (54), zijn verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en zijn van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.

2. De regelingen inzake regionale exploitatiesteun compenseren:

a) de bijkomende vervoerskosten voor goederen die zijn geproduceerd in voor exploitatiesteun in aanmerking komende gebieden, alsmede de bijkomende vervoerskosten van in die gebieden verder verwerkte goederen, onder de volgende voorwaarden:

i) de begunstigden hebben hun productieactiviteiten in die gebieden;

ii) de steun is objectief vooraf kwantificeerbaar op basis van een vast bedrag of een percentage per tonkilometer of andere relevante eenheid;

iii) deze bijkomende vervoerskosten worden berekend op basis van het traject van de goederen binnen de nationale grenzen van de lidstaat, gebruikmakend van vervoermiddelen die voor de begunstigde de laagste kostprijs opleveren. Alleen in ultraperifere gebieden mogen bijkomende vervoerskosten voor goederen welke in die gebieden verder worden verwerkt, de kosten omvatten van het vervoer van die goederen van hun plaats van productie naar die gebieden;

b) de bijkomende exploitatiekosten niet zijnde vervoerskosten die in ultraperifere gebieden ontstaan als een rechtstreeks gevolg van één of meer van de in artikel 349 van het Verdrag bedoelde blijvende handicaps, op de volgende voorwaarden:

i) de begunstigden hebben hun economische activiteiten in een ultraperifeer gebied;

ii) het jaarlijkse steunbedrag per begunstigde bedraagt in alle regelingen voor exploitatiesteun ten hoogste:

— 15 % van de door de begunstigde in het betrokken ultraperifere gebied gegenereerde jaarlijkse bruto toegevoegde waarde, of

— 25 % van de jaarlijkse arbeidskosten die de begunstigde in het betrokken ultraperifere gebied moet maken, of

— 10 % van de jaaromzet die de begunstigde in het betrokken ultraperifere gebied behaalt.

3. De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 100 % van de in dit artikel vastgestelde in aanmerking komende bijkomende kosten.