Art. 39, Berekening en toepassing van administratieve sancties in geval van nalatigheid

1. Wanneer een geconstateerde niet-naleving het gevolg is van nalatigheid van de begunstigde, wordt een verlaging toegepast. Deze verlaging bedraagt in de regel 3 % van het totale bedrag aan betalingen en jaarlijkse premies die in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 worden genoemd.

Het betaalorgaan kan evenwel op basis van de beoordeling van het belang van de niet-naleving dat de bevoegde controleautoriteit in het evaluatiegedeelte van het controleverslag daaraan heeft toegekend op basis van de in artikel 38, leden 1 tot en met 4, genoemde criteria, besluiten om dat percentage te verlagen tot 1 % of te verhogen tot 5 % van het in de eerste alinea bedoelde totale bedrag dan wel, in de gevallen waarin de bepalingen inzake de betrokken eis of norm speelruimte laten om geen gevolg te geven aan de vastgestelde niet-naleving, of in de gevallen waarin overeenkomstig artikel 17, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bijstand wordt verleend, in het geheel geen verlagingen op te leggen.

2. Wanneer een lidstaat besluit om uit hoofde van artikel 97, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 geen sanctie op te leggen, en de begunstigde de situatie niet binnen een door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn heeft gecorrigeerd, wordt de administratieve sanctie alsnog opgelegd.

Deze door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn verstrijkt uiterlijk aan het einde van het jaar na dat waarin de bevinding is gedaan.

3. Ingeval een lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 99, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 geboden mogelijkheid, en de begunstigde de situatie niet binnen een door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn heeft gecorrigeerd, wordt de overeenkomstig lid 1 van het onderhavige artikel bepaalde verlaging van ten minste 1 % met terugwerkende kracht toegepast voor het jaar waarin de initiële bevinding is gedaan en het waarschuwingssysteem is toegepast, indien wordt vastgesteld dat de niet-naleving gedurende ten hoogste drie opeenvolgende kalenderjaren, gerekend vanaf en inclusief dat jaar, niet is gecorrigeerd.

Deze door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn verstrijkt uiterlijk aan het einde van het jaar na dat waarin de bevinding is gedaan.

Een niet-naleving die binnen de vastgestelde termijn door de begunstigde is gecorrigeerd, wordt voor de vaststelling van een herhaling overeenkomstig lid 4 niet als een niet-naleving beschouwd.

4. Onverminderd de gevallen van opzettelijke niet-naleving, wordt de verlaging die voor een niet-naleving overeenkomstig lid 1 is toegepast, bij de eerste herhaling van dezelfde niet-naleving vermenigvuldigd met de factor drie.

Bij verdere herhalingen wordt de vermenigvuldigingsfactor drie telkens toegepast op het resultaat van de verlaging die voor de voorgaande herhaling is vastgesteld. De verlaging bedraagt echter maximaal 15 % van het in lid 1 bedoelde totale bedrag.

Zodra het maximum van 15 % is bereikt, deelt het betaalorgaan de betrokken begunstigde mee dat, indien dezelfde niet-naleving nogmaals wordt geconstateerd, zal worden aangenomen dat hij met opzet in de zin van artikel 40 heeft gehandeld.

Uitspraken die dit artikel aanhalen