Art. 30 Verordening (EU) nr. 165/2014, Wederzijdse erkenning en omwisseling van bestuurderskaarten
1. De door de lidstaten afgegeven bestuurderskaarten worden onderling erkend.
2. Ingeval de houder van een door een lidstaat afgegeven geldige bestuurderskaart zijn gewone verblijfplaats in een andere lidstaat vestigt, kan hij verzoeken zijn kaart om te wisselen tegen een gelijkwaardige bestuurderskaart. De lidstaat die de kaart omwisselt, heeft tot taak na te gaan of de ter omwisseling aangeboden kaart nog geldig is.
3. De lidstaat die de kaart omwisselt, zendt de oude kaart met opgave van redenen terug aan de autoriteiten van de lidstaat die de kaart hebben afgegeven.
4. Wanneer een lidstaat de bestuurderskaart vervangt of omwisselt, wordt die vervanging of omwisseling, en elke latere vervanging of omwisseling geregistreerd in die lidstaat waar de bestuurderskaart voor het eerst is vervangen of omgewisseld.