Art. 29 Verordening (EU) nr. 165/2014, Gestolen, verloren of defecte bestuurderskaart
1. De autoriteit die de kaart afgeeft, houdt een register bij waarin afgegeven, gestolen, verloren en defecte kaarten worden opgetekend, gedurende ten minste de geldigheidstermijn van de kaarten.
2. Beschadigde of defecte bestuurderskaarten worden door de bestuurder teruggezonden naar de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft. Van diefstal van de kaart wordt aangifte gedaan bij de bevoegde autoriteiten van het land waar de diefstal heeft plaatsgevonden.
3. Van elk verlies van de bestuurderskaart wordt formeel aangifte gedaan bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van afgifte, en bij die van de lidstaat waar de bestuurder zijn gewone verblijfplaats heeft, als het verschillende lidstaten betreft.
4. Bij beschadiging, defect, verlies of diefstal van de bestuurderskaart verzoekt de bestuurder de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats binnen zeven kalenderdagen om vervanging van de kaart. Door die autoriteiten wordt binnen acht werkdagen na ontvangst van het gemotiveerde verzoek een vervangende kaart verstrekt.
5. Onder de in lid 4 genoemde omstandigheden kan de bestuurder gedurende ten hoogste 15 kalenderdagen, of gedurende een langere termijn als dit noodzakelijk is om het voertuig naar het bedrijf terug te rijden, zonder kaart blijven rijden, mits de bestuurder kan aantonen dat hij binnen die termijn de kaart niet kan overleggen of gebruiken.