Art. 45 Richtlijn 2014/59/EU, Toepassing van het minimumvereiste
1. De lidstaten dragen er zorg voor dat instellingen te allen tijde voldoen aan een minimumvereiste voor eigen middelen en in aanmerking komende passiva. Het minimumvereiste wordt berekend als het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, uitgedrukt als percentage van de totale passiva en het eigen vermogen van de instelling.
Voor de toepassing van de eerste alinea vormen uit derivaten voortvloeiende passiva onderdeel van de totale passiva gezien het feit dat de salderingsrechten van tegenpartijen volledig worden erkend.
2. De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op ter specificatie van de in lid 6, onder a) tot en met f), bedoelde beoordelingscriteria aan de hand waarvan voor elke instelling een minimumbedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva moet worden bepaald, met inbegrip van achtergestelde schuld en niet-achtergestelde ongedekte schuld met een nog resterende looptijd van ten minste twaalf maanden die valt onder de bevoegdheid een inbreng van de particuliere sector en die welke zich kwalificeren als eigen vermogen.
De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 3 juli 2015 aan de Commissie voor.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de technische reguleringsnormen als bedoeld in de eerste alinea overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 vast te stellen.
De lidstaten kunnen aanvullende criteria vaststellen voor het bepalen van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva.
3. Niettegenstaande lid 1 verlenen de afwikkelingsautoriteiten aan instellingen voor hypothecair krediet die door gedekte obligaties worden gefinancierd die volgens nationaal recht geen deposito’s mogen ontvangen, vrijstelling van de verplichting om te allen tijde te voldoen aan het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, omdat:
a) deze instellingen via nationale insolventieprocedures of andere, voor hen vastgestelde soorten procedures in overeenstemming met artikel 38, 40 of 42 van deze richtlijn worden geliquideerd; en
b) dergelijke nationale insolventieprocedures of andere soorten procedures ervoor zorgen dat de schuldeisers van deze instellingen, met inbegrip van, in voorkomend geval, de houders van gedekte obligaties, verliezen lijden op een wijze die bijdraagt aan de verwezenlijking van de afwikkelingsdoelstellingen.
4. In aanmerking komende passiva mogen pas in het in lid 1 bedoelde bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva worden opgenomen indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) het instrument is uitgegeven en volgestort;
b) de passiva zijn niet verschuldigd aan de instelling zelf, noch door deze gedekt met een zekerheid of gegarandeerd;
c) de aankoop van het instrument is niet direct noch indirect door de instelling gefinancierd;
d) de passiva hebben een resterende looptijd van ten minste een jaar;
e) de passiva vloeien niet voort uit een derivaat;
f) de passiva vloeien niet voort uit een deposito dat voorrang geniet in de nationale insolventiehiërarchie overeenkomstig artikel 108.
Voor de toepassing van punt d) is de vervaldatum van de passiva die de eigenaar ervan het recht op vroegtijdige terugbetaling verlenen, de eerste datum waarop dat recht tot stand komt.
5. Indien passiva onderworpen zijn aan het recht van een derde land, kunnen de afwikkelingsautoriteiten verlangen dat de instelling aantoont dat elk besluit van een afwikkelingsautoriteit tot afschrijving of omzetting van die passiva zal worden uitgevoerd krachtens het recht van dat derde land, rekening houdend met de voorwaarden van het contract betreffende die passiva alsook met internationale overeenkomsten inzake de erkenning van afwikkelingsprocedures en andere relevante aangelegenheden. Indien volgens de afwikkelingsautoriteit niet voldoende is aangetoond dat elk besluit volgens het recht van dat derde land zal worden uitgevoerd, worden de passiva niet in aanmerking genomen voor het minimumvereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva.
6. Het in lid 1 bedoelde minimumvereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van elke instelling wordt vastgesteld door de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, ten minste op basis van de volgende criteria:
a) de noodzaak om ervoor te zorgen dat de instelling middels de toepassing van afwikkelingsinstrumenten, eventueel met inbegrip van het instrument van bail-in, op zodanige wijze kan worden afgewikkeld dat aan de afwikkelingsdoelstellingen is voldaan;
b) de noodzaak om er in passende gevallen voor te zorgen dat de instelling over voldoende in aanmerking komende passiva beschikt om te garanderen dat, indien het instrument van bail-in zou worden toegepast, de verliezen kunnen worden opgevangen en de tier 1-kernkapitaalratio van de instelling wederom op een peil kan worden gebracht dat noodzakelijk is om de instelling in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de werkzaamheden te blijven uitoefenen waarvoor haar overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn 2014/65/EU vergunning is verleend, alsook om voldoende marktvertrouwen in de instelling of entiteit te handhaven;
c) de noodzaak om ervoor te zorgen dat, indien het afwikkelingsplan ermee rekening houdt dat bepaalde categorieën van in aanmerking komende passiva kunnen worden uitgesloten van de inbreng van de particuliere sector overeenkomstig artikel 44, lid 3, of dat bepaalde categorieën van in aanmerking komende passiva volledig aan een ontvanger kunnen worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, de instelling voldoende andere in aanmerking komende passiva heeft om te garanderen dat de verliezen kunnen worden opgevangen en de tier 1-kernkapitaalratio van de instelling wederom op een peil kan worden gebracht dat noodzakelijk is om de instelling in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de werkzaamheden te blijven uitoefenen waarvoor haar overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn 2014/65/EU vergunning is verleend;
d) de omvang, het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de instelling;
e) de mate waarin het depositogarantiestelsel overeenkomstig artikel 109 aan de afwikkelingsfinanciering zou kunnen bijdragen;
f) de mate waarin het falen van de instelling nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit zou hebben, onder meer wegens de verwevenheid ervan met andere instellingen of met de rest van het financiële stelsel, via besmetting van andere instellingen.
7. De instellingen voldoen op individuele basis aan de in dit artikel opgenomen minimumvoorwaarden.
Een afwikkelingsautoriteit kan, na raadpleging vaneen bevoegde autoriteit, besluiten de in dit artikel opgenomen minimumvoorwaarde toe te passen op een entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d).
8. EU-moederondernemingen voldoen aan lid 7 en daarnaast ook aan de in dit artikel opgenomen minimumvoorwaarden op geconsolideerde basis.
Het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva op geconsolideerde basis dat een EU-moederondeneming ten minste moet aanhouden, wordt na raadpleging van de consoliderende toezichthouder door de afwikkelingsautoriteit bepaald op groepsniveau, in overeenstemming met lid 9 en ten minste op basis van de criteria als vastgesteld in lid 6 en de vraag of de dochterondernemingen van de groep in derde landen afzonderlijk worden afgewikkeld overeenkomstig het afwikkelingsplan.
9. De afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de afwikkelingsautoriteiten die bevoegd zijn voor de dochterondernemingen op individuele basis, stellen alles in het werk om een gezamenlijk besluit te bereiken over het niveau van het minimumvereiste dat op geconsolideerd niveau wordt toegepast.
Het gezamenlijk besluit wordt volledig gemotiveerd en wordt door de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau aan de EU-moederonderneming verstrekt.
Indien er binnen vier maanden geen gezamenlijk besluit is genomen, neemt de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau een besluit over het geconsolideerde minimumvereiste, na de beoordeling van de dochterondernemingen door de betrokken afwikkelingsautoriteiten naar behoren in aanmerking te hebben genomen. Indien een van de afwikkelingsautoriteiten in kwestie aan het einde van de periode van vier maanden de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stelt de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau haar besluit uit en wacht zij een eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af, en neemt zij haar besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De periode van vier maanden wordt beschouwd als verzoeningsperiode in de zin van die verordening. De EBA neemt haar besluit binnen één maand. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na afloop van de periode van vier maanden of nadat er een gezamenlijk besluit is genomen. Indien de EBA er niet in slaagt binnen één maand een besluit te nemen, is het besluit van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau van toepassing.
Het gezamenlijk besluit en het besluit dat de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau heeft genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, zijn bindend voor de afwikkelingsautoriteiten in de betrokken lidstaten.
Het gezamenlijk besluit en elk besluit dat is genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, worden regelmatig geëvalueerd en waar nodig bijgewerkt.
10. De afwikkelingsautoriteiten stellen het minimumvereiste vast dat op individuele basis moet worden toegepast op de dochterondernemingen. Dat minimumvereiste wordt vastgesteld op een niveau dat passend is voor de dochterondernemingen, rekening houdend met:
a) de criteria in lid 6, met name de omvang, het bedrijfsmodel en het risicoprofiel van de dochteronderneming, waaronder haar eigen vermogen; en
b) het geconsolideerde vereiste dat voor de groep is vastgesteld overeenkomstig lid 9.
De afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de afwikkelingsautoriteiten die bevoegd zijn voor de dochterondernemingen op individuele basis, stellen alles in het werk om een gezamenlijk besluit te bereiken over het niveau van het minimumvereiste dat op elke dochteronderneming individueel moet worden toegepast.
Het gezamenlijk besluit wordt volledig gemotiveerd en wordt door de afwikkelingsautoriteit van de dochterondernemingen en door de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau bezorgd aan respectievelijk de dochterondernemingen en de EU-moederinstelling.
Indien de afwikkelingsautoriteiten niet binnen vier maanden een gezamenlijk besluit hebben genomen, wordt het besluit genomen door de respectieve afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de standpunten en voorbehouden van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau.
Indien een afwikkelingsautoriteit op groepsniveau aan het einde van de periode van vier maanden de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 aan de EBA heeft voorgelegd, stellen de afwikkelingsautoriteiten die bevoegd zijn voor de dochterondernemingen op individuele basis hun besluit uit en wachten zij het eventueel door de EBA overeenkomstig artikel 19, lid 3, van die verordening genomen besluit af, en nemen zij hun besluit in overeenstemming met het besluit van de EBA. De periode van vier maanden wordt beschouwd als verzoeningsperiode in de zin van die verordening. De EBA neemt haar besluit binnen één maand. De zaak wordt niet meer aan de EBA voorgelegd na afloop van de periode van vier maanden of nadat er een gezamenlijk besluit is genomen. De afwikkelingsautoriteit op groepsniveau mag de zaak niet voor bindende bemiddeling aan de EBA voorleggen indien het niveau dat is vastgesteld door de afwikkelingsautoriteit van de dochteronderneming, binnen één procentpunt van het overeenkomstig lid 9 van dit artikel ter vastgestelde geconsolideerde niveau ligt.
Indien de EBA binnen één maand geen besluit neemt, zijn de besluiten van de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen van toepassing.
Het gezamenlijke besluit en de besluiten die de afwikkelingsautoriteiten van de dochterondernemingen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit hebben genomen, zijn bindend voor de betrokken afwikkelingsautoriteiten.
Het gezamenlijk besluit en elk besluit dat is genomen bij ontstentenis van een gezamenlijk besluit, worden regelmatig geëvalueerd en waar nodig bijgewerkt.
11. De afwikkelingsautoriteit op groepsniveau kan ontheffing verlenen van de toepassing van het individuele minimumvereiste op een EU-moederinstelling indien:
a) de EU-moederinstelling op geconsolideerde basis voldoet aan het overeenkomstig lid 8 vastgestelde minimumvereiste; en
b) de bevoegde autoriteit van de EU-moederinstelling volledige ontheffing heeft verleend van de toepassing op de instelling van individuele kapitaalvereisten overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Richtlijn 575/2013.
12. De afwikkelingsautoriteit van een dochteronderneming kan volledige ontheffing verlenen van de toepassing van lid 7 op die dochteronderneming indien:
a) de dochteronderneming en haar moederonderneming onder de vergunningvereisten en het toezicht van dezelfde lidstaat vallen;
b) de dochteronderneming betrokken is in het toezicht op geconsolideerde basis van de instelling die de moederonderneming is;
c) de in de lidstaat van de dochteronderneming hoogst geplaatste instelling van de groep, indien dat niet de EU-moederinstelling is, op gesubconsolideerde basis voldoet aan het overeenkomstig lid 7 vastgestelde minimumvereiste;
d) er geen feitelijke of juridische belemmering van wezenlijk belang aanwezig of te voorzien is die een onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of terugbetaling van passiva aan de dochteronderneming door haar moederonderneming kan verhinderen;
e) ofwel de moederonderneming de bevoegde autoriteit waarborgen ten aanzien van het zorgvuldige beheer van de dochteronderneming verstrekt en, met instemming van de bevoegde autoriteit, verklaart dat zij garant staat voor de door de dochteronderneming aangegane verplichtingen, ofwel de risico’s ten aanzien van de dochteronderneming verwaarloosbaar zijn;
f) de dochteronderneming in de risicobeoordelings-, meet- en controleprocedures van de moederonderneming wordt betrokken;
g) de moederonderneming meer dan 50 % van de stemrechten bezit die verbonden zijn aan aandelen in het kapitaal van de dochteronderneming, of het recht heeft het grootste deel van de leden van het leidinggevend orgaan van de dochteronderneming aan te stellen of te ontslaan; en
h) de bevoegde autoriteit van de dochteronderneming volledige ontheffing heeft verleend van de toepassing op de dochteronderneming van individuele kapitaalvereisten overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013.
13. De overeenkomstig dit artikel genomen besluiten kunnen erin voorzien dat op geconsolideerd niveau of op individueel niveau gedeeltelijk is voldaan aan het minimumvereiste voor eigen vermogen en voor in aanmerking komende passiva door middel van contractuele instrumenten van inbreng van de particuliere sector.
14. Om uit hoofde van lid 13 te worden beschouwd als contractueel instrument van bail-in, dient de afwikkelingsautoriteit vast te stellen dat het instrument:
a) een contractuele clausule bevat waarin is bepaald dat, indien een afwikkelingsautoriteit besluit op de instelling het instrument van bail-in toe te passen, het instrument wordt afgeschreven of omgezet in de vereiste mate voor andere in aanmerking komende passiva worden afgeschreven of omgezet; en
b) onderworpen is aan een bindende achterstellingsovereenkomst, -toezegging of -bepaling uit hoofde waarvan het instrument bij een normale insolventieprocedure achtergesteld is aan andere in aanmerking komende passiva en niet kan worden terugbetaald totdat andere op dat ogenblik uitstaande, in aanmerking komende passiva zijn afgewikkeld.
15. In overleg met de bevoegde autoriteiten verlangen en verifiëren de afwikkelingsautoriteiten of de instellingen voldoen aan het in lid 1 opgenomen minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva en, in voorkomend geval, aan het in lid 13 opgenomen vereiste, en nemen alle besluiten ingevolge dit artikel parallel met het opstellen en het bijhouden van de afwikkelingsplannen.
16. In overleg met de bevoegde autoriteiten stellen de afwikkelingsautoriteiten de EBA in kennis van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva en, in voorkomend geval, het in lid 13 opgenomen vereiste, die voor elke instelling in hun jurisdictie zijn vastgesteld.
17. De EBA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op ter specificatie van eenvormige formats, templates en definities voor de identificatie en doorgifte van informatie door de afwikkelingsautoriteiten, in overleg met de bevoegde autoriteiten, aan de EBA ter uitvoering van lid 16.
De EBA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijkop 3 juli 2015 aan de Commissie voor.
Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen volgens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.
18. Op basis van de bevindingen in het in lid 19 bedoelde verslag dient de Commissie, indien passend, uiterlijk op 31 december 2016 bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel in over de geharmoniseerde toepassing van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva. Dat voorstel omvat, waar passend, voorstellen voor de invoering van een passend aantal minimumniveaus van het minimumvereiste, rekening houdend met de verschillende bedrijfsmodellen van instellingen en groepen. Het voorstel bevat tevens passende aanpassingen aan de parameters van het minimumvereiste en, zo nodig, passende wijzigingen in de toepassing van het minimumvereiste op groepen.
19. De EBA legt uiterlijk 31 oktober 2016 de Commissie verslag voor over ten minste het volgende:
a) hoe het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva op nationaal niveau is uitgevoerd, en in het bijzonder of zich verschillen hebben voorgedaan in de niveaus die in de diverse lidstaten voor vergelijkbare instellingen zijn vastgesteld;
b) hoe in de diverse lidstaten de bevoegdheid is uitgeoefend om van instellingen te verlangen dat zij voldoen aan het minimumvereiste middels contractuele instrumenten van inbreng van de particuliere sector, en of zich verschillen in aanpak hebben voorgedaan;
c) de aanwijzing van bedrijfsmodellen die een afspiegeling zijn van de algehele risicoprofielen van de instellingen;
d) het passende niveau van het minimumvereiste voor elk van de uit hoofde van punt c) geïdentificeerde bedrijfsmodellen;
e) of er een bereik voor het niveau van het minimumvereiste van elk bedrijfsmodel moet worden vastgesteld;
f) de passende overgangsperiode waarbinnen instellingen moeten bereiken dat aan voorgeschreven geharmoniseerde minimumniveaus wordt voldaan;
g) of de in artikel 45 opgenomen vereisten volstaan om te garanderen dat elke instelling in voldoende mate verliezen kan opvangen en, zo niet, welke vereisten verder moeten worden aangescherpt om ervoor te zorgen dat dit doel wordt bereikt;
h) of de bij dit artikel vastgestelde berekeningsmethode wijzigingen behoeft om ervoor te zorgen dat het minimumvereiste te gebruiken is als een passende indicator van de capaciteit van een instelling voor het opvangen van verliezen;
i) of het passend is het vereiste te baseren op totale passiva en eigen vermogen, en met name of het passender is de risicogewogen activa van de instelling als noemer voor het vereiste te gebruiken;
j) of de bij dit artikel vastgestelde aanpak voor de toepassing van het minimumvereiste op groepen passend is, en met name of met deze aanpak naar behoren wordt gegarandeerd dat in de groep de capaciteit voor het opvangen van verliezen zich bevindt in, of toegankelijk is voor, de entiteiten waar zich verliezen kunnen voordoen;
k) of de voorwaarden voor vrijstellingen van het minimumvereiste passend zijn, en met name of dergelijke vrijstellingen op grensoverschrijdende basis beschikbaar moeten zijn voor dochterondernemingen;
l) of het passend is dat afwikkelingsautoriteiten kunnen verlangen dat aan het minimumvereiste wordt voldaan middels contractuele instrumenten van inbreng van de particuliere sector, en of verdere harmonisatie van de aanpak voor contractuele instrumenten van inbreng van de particuliere sector passend is;
m) of de vereisten voor contractuele instrumenten van inbreng van de particuliere sector als opgenomen in lid 14 passend zijn; en
n) of het passend is om van instellingen en groepen te verlangen dat zij hun minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva of het niveau van hun eigen vermogen en in aanmerking komende passiva openbaar maken en, zo ja, de frequentie waarmee en het format waarin die informatie openbaar wordt gemaakt.
20. Het in lid 19 bedoelde verslag bestrijkt ten minste de periode van 2 juli 2014 tot en met 30 juni 2016 en houdt rekening met ten minste het volgende:
a) het effect van het minimumvereiste, en van eventuele voorgestelde geharmoniseerde niveaus van het minimumvereiste, op:
i) de financiële markten in het algemeen en de markten voor ongedekte schuld en derivaten in het bijzonder;
ii) de bedrijfsmodellen en de balansindelingen van instellingen, met name het financieringsprofiel en de financieringsstrategie van instellingen en de juridische en organisatorische structuur van groepen;
iii) de winstgevendheid van instellingen, met name hun financieringskosten;
iv) de migratie van risicoblootstellingen naar entiteiten die niet aan prudentieel toezicht zijn onderworpen;
v) financiële innovatie;
vi) de prevalentie van contractuele instrumenten van inbreng van de particuliere sector, en de aard en de verhandelbaarheid van die instrumenten;
vii) het risicogedrag van instellingen;
viii) de mate van bezwaring van activa van instellingen;
ix) de maatregelen van instellingen om aan de minimumvereisten te voldoen, en met name de mate waarin er aan minimumvereisten is voldaan door middel van schuldafbouw, uitgifte van langlopend schuldpapier en het aantrekken van kapitaal; en
x) de omvang van de kredietverlening door kredietinstellingen, met bijzondere aandacht voor kredietverlening aan kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, lokale en regionale overheden en publiekrechtelijke lichamen, en voor handelsfinanciering, met inbegrip van kredietverlening in het kader van officiële exportkredietverzekeringsregelingen;
b) de interactie van de minimumvereisten met de eigenvermogensvereisten, de hefboomratio en de liquiditeitsvereisten als opgenomen in Verordening (EU) nr. 575/2013 en in Richtlijn 2013/36/EU;
c) het vermogen van instellingen om op onafhankelijke wijze kapitaal of financiering van markten aan te trekken teneinde aan eventuele voorgestelde geharmoniseerde minimumvereisten te voldoen.
d) de consistentie met de minimumvereisten met betrekking tot door internationale fora ontwikkelde internationale normen.