Art. 21 Verordening (EU) nr. 1316/2013, Gedelegeerde handelingen

Verordening (EU) nr. 1316/2013

1. Behoudens de goedkeuring van de betrokken lidstaten, waarin is voorzien bij artikel 172, tweede alinea, VWEU, wordt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 26 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de wijziging van deel I van bijlage I bij deze verordening, in verband met veranderende financieringsprioriteiten in de trans-Europese netwerken en wijzigingen met betrekking tot projecten van gemeenschappelijk belang in de zin van Verordening (EU) nr. 1315/2013. In geval van wijziging van deel I van bijlage I bij deze verordening zorgt de Commissie ervoor:

a) dat de projecten van gemeenschappelijk belang overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1315/2013 waarschijnlijk geheel of gedeeltelijk binnen het meerjarig financieel kader voor 2014-2020 te realiseren zijn;

b) dat de wijzigingen in overeenstemming zijn met de in artikel 7 van deze verordening bepaalde criteria om voor steun in aanmerking te komen;

c) dat, met betrekking tot deel I van bijlage I bij deze verordening, alle trajecten infrastructuurprojecten omvatten die met het oog op hun realisatie moeten worden opgenomen in een meerjarenwerkprogramma in de zin van artikel 17, lid 3, van deze verordening, zonder dat de het tracé van de corridors van het kernnetwerk wordt gewijzigd.

2. De Commissie is bevoegd om, overeenkomstig de resultaten van het tussentijdse verslag en van de grondige onafhankelijke evaluatie van de proeffase van het Europa 2020-initiatief inzake projectobligaties, bedoeld in Besluit nr. 1639/2006/EG en Verordening (EG) nr. 680/2007, overeenkomstig artikel 26 van deze verordening bij gedelegeerde handeling de in deel III van bijlage I bij deze verordening bepaalde voornaamste voorwaarden en procedures, welke betrekking hebben op respectievelijk het schuldinstrument en het aandeleninstrument in de zin van deel III van bijlage I bij deze verordening, te wijzigen om de opzet en de toepassing ervan in het licht van veranderende marktvoorwaarden te optimaliseren.

Wanneer zij deel III van bijlage I bij deze verordening in de gevallen zoals bepaald in de eerste alinea aanpast, draagt de Commissie er zorg voor dat:

a) de wijzigingen in overeenstemming zijn met de voorschriften van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, met name de voorafgaande evaluatie die overeenkomstig artikel 140, lid 2, onder f), daarvan wordt uitgevoerd, en

b) de wijzigingen beperkt zijn tot:

i) het in punt I.1, onder a), en I.1, onder b), van deel III van bijlage I bedoelde maximumbedrag van de achtergestelde schuld, dat overeenkomstig artikel 15 wordt aangepast met het oog op sectorale diversificatie en geografisch evenwicht tussen de lidstaten;

ii) het in punt I.1, onder a), van deel III van bijlage I bedoelde maximumbedrag van de niet-achtergestelde schuld dat overeenkomstig artikel 15 wordt aangepast met het oog op sectorale diversificatie en geografisch evenwicht tussen de lidstaten;

iii) de combinatie met andere financieringsbronnen, in de zin van punt I.3 en punt II.3 van deel III van bijlage I;

iv) de keuze van de entiteiten, in de zin van de punten I.4 en II.4 van deel III van bijlage I; en

v) de prijsstelling en de verdeling van risico's en opbrengsten, in de zin van de punten I.6 en II.6 van deel III van bijlage I.

3. De Commissie is bevoegd om in de sector vervoer, binnen het kader van de in artikel 3 bepaalde algemene doelstellingen en de in artikel 4, lid 2, bepaalde sectorale doelstellingen, overeenkomstig artikel 26 bij gedelegeerde handeling nader te bepalen welke financieringsprioriteiten in de in artikel 17 bedoelde werkprogramma's gedurende de looptijd van de CEF moeten gelden voor in aanmerking komende acties in de zin van artikel 7, lid 2. De Commissie stelt tegen 22 december 2014 een gedelegeerde handeling vast.

4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen om het in artikel 14, lid 2, bedoelde maximumbedrag tot ten hoogste 20 % te verhogen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

i) de in 2015 uitgevoerde evaluatie van de proeffase van het Europa 2020-initiatief inzake projectobligaties een positieve uitkomst oplevert; en

ii) de opname van de financiële instrumenten meer dan 8 % van de voor projecten aangegane contractuele verplichtingen vertegenwoordigt.

5. De Commissie is bevoegd om, indien het nodig blijkt met meer dan vijf procentpunten af te wijken van de toewijzing voor een bepaalde doelstelling inzake vervoer, overeenkomstig artikel 26 bij gedelegeerde handeling de in deel III van bijlage I vastgelegde indicatieve percentages te wijzigen.

6. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen om, in het licht van de tussentijdse evaluatie van deze verordening of de conclusies die uit de toepassing ervan worden getrokken, wijzigingen aan te brengen in de in deel V van bijlage I vervatte lijst van algemene instructies voor het vaststellen van de gunningscriteria. Zij doet dit op een wijze die verenigbaar is met de respectieve sectorale richtsnoeren.

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen