Art. 28 Verordening (EU) nr. 1315/2013, Vereisten voor de vervoersinfrastructuur
Verordening (EU) nr. 1315/2013
1. De lidstaten zorgen er op eerlijke en niet-discriminerende wijze voor dat:
a) de vervoerswijzen op een van de volgende plaatsen met elkaar worden verbonden: goederenterminals, passagiersstations, binnenhavens, luchthavens en zeehavens, om multimodaal passagiers- en goederenvervoer mogelijk te maken;
b) onverminderd het toepasselijke Unierecht en nationale recht, goederenterminals en logistieke platforms, binnen- en zeehavens, alsook luchthavens voor goederenvervoer, zo zijn toegerust dat zij informatiestromen binnen de infrastructuur zelf en tussen de verschillende vervoerswijzen in de logistieke keten kunnen verwerken. Dergelijke systemen moeten in het bijzonder geschikt zijn voor realtime-informatie over de beschikbare infrastructuurcapaciteit, verkeersstromen, plaatsbepaling en tracering. Bovendien moeten ze de veiligheid en beveiliging op het gehele multimodale traject verzekeren;
c) onverminderd het toepasselijke Unierecht en het nationale recht, de continuïteit van het personenverkeer op het gehele uitgebreide netwerk wordt bevorderd door een passende uitrusting en de beschikbaarheid van telematicatoepassingen in treinstations, busstations, luchthavens en indien nuttig in zee- en binnenhavens.
2. Goederenterminals zijn uitgerust met kranen, transportbanden en andere apparatuur om goederen tussen verschillende vervoerswijzen te vervoeren, en om de goederen te schikken en op te slaan.