Art. 63 Verordening (EU) nr. 1307/2013, Bedrag van de betaling

Verordening (EU) nr. 1307/2013

1. De lidstaten stellen het bedrag van de jaarlijkse betaling voor iedere landbouwer die deelneemt aan de regeling voor kleine landbouwbedrijven vast op een van de volgende niveaus:

a) een bedrag van ten hoogste 25 % van de nationale gemiddelde betaling per begunstigde, dat door de lidstaten wordt vastgesteld op basis van het nationale maximum dat in bijlage II voor het kalenderjaar 2019 isvermeld, en het aantal landbouwers dat in 2015 uit hoofde van artikel 33, lid 1, of artikel 36, lid 2, subsidiabele hectaren heeft aangegeven;

b) een bedrag bestaande uit de nationale gemiddelde betaling per hectare, vermenigvuldigd met een door de lidstaten vast te stellen aantal hectaren, maar ten hoogste met vijf. De lidstaten stellen de nationale gemiddelde betaling per hectare vast op basis van het nationale maximum dat in bijlage II voor het kalenderjaar 2019 is vermeld, en het aantal subsidiabele hectaren dat in 2015 overeenkomstig artikel 33, lid 1 of artikel 36, lid 2, is aangegeven.

De in de eerste alinea, onder a) of b), bedoelde bedragen zijn niet lager dan 500 EUR en niet hoger dan 1 250 EUR.

Indien de toepassing van de de eerste alinea, onder a) en b), resulteert in een bedrag dat lager is dan 500 EUR of hoger is dan 1 250 EUR, wordt het bedrag respectievelijk naar boven of naar beneden afgerond op het minimum- of het maximumbedrag.

2. In afwijking van lid 1 kan een lidstaat besluiten om deelnemende landbouwers:

a) een bedrag toe te kennen dat gelijk is aan de totale waarde van de betalingen die elk jaar uit hoofde van titel III en titel IV aan de landbouwer moeten worden toegewezen; of

b) een bedrag toe te kennen dat gelijk is aan de totale waarde van de betalingen die in 2015 uit hoofde van titel III en titel IV aan de landbouwer moeten worden toegewezen, en dat in volgende jaren door de lidstaten kan worden aangepast om evenredig rekening te houden met de wijzigingen in het nationale maximum vermeld in bijlage II.

Het bedrag bedoeld in de eerste alinea, onder a) of b) is niet hoger dan een door die lidstaat vastgesteld bedrag tussen 500 EUR en 1 250 EUR.

Indien de aanvraag bedoeld in de eerste alinea, onder a) of b), resulteert in een bedrag dat lager is dan 500 EUR, kunnen de lidstaten besluiten het bedrag af te ronden naar 500 EUR.

3. In afwijking van de leden 1 en 2, mag het in die leden bedoelde bedrag in Cyprus, Kroatië, Malta en Slovenië worden vastgesteld op minder dan 500 EUR, maar niet minder dan 200 EUR, respectievelijk 50 EUR voor Malta.

Vorige artikelen

Volgende artikelen