Art. 2, In deze verordening gebruikte termen

1. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a) "landbouwer": een landbouwer in de zin van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

b) "landbouwactiviteit": een landbouwactiviteit in de zin van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

c) "landbouwareaal": een landbouwareaal in de zin van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

d) "bedrijf": bedrijf in de zin van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, behoudens als bepaald in artikel 91, lid 3;

e) "rechtstreekse betalingen": rechtstreekse betalingen in de zin van artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

f) "sectorale landbouwwetgeving": alle toepasselijke handelingen die in het kader van het GLB op basis van artikel 43 VWEU zijn vastgesteld, alsmede, indien van toepassing, alle gedelegeerde of uitvoeringshandelingen die zijn vastgesteld op basis van die handelingen, en deel twee van Verordening (EU) nr.1303/2013, voor zover die van toepassing is op het ELFPO;

g) "onregelmatigheid": een onregelmatigheid in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95.

2. Voor de toepassing van de financiering, het beheer en de monitoring van het GLB, kunnen "overmacht" en "uitzonderlijke omstandigheden" met name erkend worden in de volgende gevallen:

a) de begunstigde is overleden;

b) de begunstigde is langdurig arbeidsongeschikt geworden;

c) het bedrijf is zwaar getroffen door een ernstige natuurramp;

d) de veehouderijgebouwen op het bedrijf zijn door een ongeluk verloren gegaan;

e) al het vee of alle landbouwgewassen van de begunstigde of een gedeelte ervan zijn getroffen door respectievelijk een epizoötie of een plantenziekte;

f) het volledige bedrijf of een groot deel daarvan is onteigend, indien deze onteigening op de dag van indiening van de aanvraag niet was te voorzien.

Uitspraken die dit artikel aanhalen