Art. 8 Verordening (EU) nr. 1299/2013, Inhoud, goedkeuring en wijziging van samenwerkingsprogramma's

Verordening (EU) nr. 1299/2013

1. Een samenwerkingsprogramma bestaat uit prioritaire assen. Een prioritaire as komt onverminderd artikel 59 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 overeen met een thematische doelstelling en omvat een of meer investeringsprioriteiten van die thematische doelstelling overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van deze verordening. Waar van toepassing, en met het oog op het vergroten van de impact en de effectiviteit ervan door een thematisch samenhangende, geïntegreerde aanpak en teneinde de doelstellingen van de strategie van de Unie voor een slimme, duurzame en inclusieve groei te realiseren, kan een prioritaire as in naar behoren gemotiveerde gevallen een of meer aanvullende investeringsprioriteiten van verschillende thematische doelstellingen omvatten om een maximale bijdrage aan die prioritaire as te leveren.

2. Een samenwerkingsprogramma levert een bijdrage aan de strategie van de Unie voor een slimme, duurzame en inclusieve groei en aan het realiseren van economische, sociale en territoriale samenhang. In een dergelijk programma wordt het volgende vastgesteld:

a) een motivering van de keuze van thematische doelstellingen, overeenkomstige investeringsprioriteiten en financiële toewijzingen, in het licht van het gemeenschappelijke strategische kader vastgelegd in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1303/2013 op basis van een analyse van de behoeften in het kader van het programmagebied als geheel en de strategie waarvoor is gekozen om in die noden te voorzien, waarbij indien nodig ontbrekende schakels in de grensoverschrijdende infrastructuur worden aangepakt, rekening houdend met de resultaten van de ex-ante-evaluatie die verricht wordt overeenkomstig artikel 55 van Verordening (EU) nr. 1303/2013;

b) voor elke prioritaire as met uitzondering van technische bijstand:

i) de investeringsprioriteiten en de overeenkomstige specifieke doelstellingen;

ii) teneinde de resultaatgerichtheid van de programmering te verbeteren, de verwachte resultaten voor de specifieke doelstellingen en de overeenkomstige resultaatindicatoren met vermelding van een uitgangswaarde en een streefwaarde, zo nodig gekwantificeerd, overeenkomstig artikel 15;

iii) een beschrijving van het soort en voorbeelden van de te ondersteunen maatregelen voor elke investeringsprioriteit, evenals hun verwachte bijdrage aan de specifieke doelstellingen als bedoeld in punt i), met vermelding van de uitgangspunten voor de keuze van concrete acties en, in voorkomend geval, de voornaamste doelgroepen, beoogde specifieke gebieden, soorten begunstigden, het geplande gebruik van financieringsinstrumenten en grote projecten;

iv) overeenkomstig artikel 16 de gemeenschappelijke en specifieke outputindicatoren, met inbegrip van de gekwantificeerde streefwaarde, die naar verwachting een bijdrage aan de resultaten van elke investeringsprioriteit leveren;

v) vaststelling van de uitvoeringsstappen en van de financiële en outputindicatoren, en in voorkomend geval de resultaatindicatoren, die moeten worden gebruikt als mijlpalen en streefdoelen voor het prestatiekader overeenkomstig artikel 21, lid 1, van en bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1303/2013;

vi) waar van toepassing, een samenvatting van het geplande gebruik van de technische bijstand, zo nodig met inbegrip van maatregelen om de administratieve capaciteit te versterken van de autoriteiten die betrokken zijn bij het beheer van en de controle op de programma's en begunstigden en, zo nodig, maatregelen voor het vergroten van de administratieve capaciteit van relevante partners met het oog op hun deelneming aan de uitvoering van de programma's;

vii) de overeenkomstige categorieën steunverlening op basis van een door de Commissie vastgestelde nomenclatuur en een indicatieve verdeling van de geprogrammeerde middelen;

c) voor elke prioritaire as met betrekking tot technische bijstand:

i) specifieke doelstellingen;

ii) de verwachte resultaten voor elke specifieke doelstelling en, indien dit gezien de inhoud van de acties objectief gerechtvaardigd is, de overeenkomstige resultaatindicatoren met een uitgangswaarde en streefwaarde overeenkomstig artikel 16;

iii) een beschrijving van te ondersteunen acties en de verwachte bijdrage daarvan aan de verwezenlijking van de onder i) bedoelde specifieke doelstellingen;

iv) de outputindicatoren die naar verwachting aan de resultaten bijdragen;

v) de overeenkomstige categorieën steunmaatregelen op basis van een nomenclatuur die door de Commissie is vastgesteld, en een indicatieve verdeling van de geprogrammeerde middelen.

(a) Punt ii) is niet van toepassing indien de bijdrage van de Unie aan de prioritaire as of assen voor de technische bijstand voor een samenwerkingsprogramma niet hoger is dan 15 000 000 EUR;

d) een financieringsplan dat de volgende tabellen bevat (zonder opsplitsing per deelnemende lidstaat):

i) een tabel waarin het voor de steun uit het EFRO beoogde bedrag van het totale financiële krediet overeenkomstig de regels voor de medefinancieringspercentages als neergelegd in de artikelen 60, 120 en 121 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 per jaar is gespecificeerd;

ii) een tabel waarin het bedrag van het totale financiële krediet van de steun uit het EFRO en de nationale medefinanciering voor de hele programmeringsperiode, voor het samenwerkingsprogramma en voor elke prioritaire as, is aangegeven. Voor prioritaire assen die investeringsprioriteiten van verschillende thematische doelstellingen combineren, vermeldt de tabel het bedrag van de totale financiële toewijzing en van de nationale medefinanciering voor elk van de betreffende thematische doelstellingen. Indien de nationale medefinanciering uit publieke en private medefinanciering bestaat, bevat de tabel een indicatieve uitsplitsing van de publieke en de private component. Ter informatie moeten ook alle bijdragen van derde landen die aan het programma deelnemen en de voorgenomen deelname van het EIB worden vermeld;

e) een lijst van grote projecten waarvoor de uitvoering tijdens de programmeringsperiode is voorzien;

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot de onder b), punt vii), en onder c), punt v), van de eerste alinea bedoelde nomenclatuur. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 150, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde onderzoeksprocedure.

3. Een samenwerkingsprogramma beschrijft, rekening houdend met de inhoud en doelstellingen ervan, de geïntegreerde aanpak van territoriale ontwikkeling, inclusief met betrekking tot regio's en gebieden als bedoeld in artikel 174, lid 3, VWEU, met inachtneming van de partnerschapsovereenkomsten van de deelnemende lidstaten, en geeft aan hoe dat samenwerkingsprogramma een bijdrage levert aan de realisatie van de doelstellingen en verwachte resultaten ervan met, waar van toepassing, een beschrijving van de volgende aspecten;

a) de aanpak ten aanzien van het gebruik van instrumenten voor een vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling en de beginselen voor het aanwijzen van de gebieden waar dit zal plaatsvinden;

b) de beginselen voor het aanwijzen van stedelijke gebieden waar geïntegreerde acties voor duurzame stadsontwikkeling moeten worden uitgevoerd en de indicatieve jaarlijkse toewijzing van EFRO-steun voor deze acties;

c) de aanpak ten aanzien van het gebruik van het instrument voor geïntegreerde territoriale investering bedoeld in artikel 11, in gevallen die niet vallen onder b), evenals hun indicatieve financiële toewijzing vanuit elke prioritaire as;

d) indien lidstaten en regio's aan macroregionale strategieën en zeebekkenstrategieën deelnemen, de bijdrage van de geplande steunmaatregelen in het kader van het samenwerkingsprogramma aan die strategieën, rekening houdend met de behoeften van het programmagebied zoals in kaart gebracht door de relevante lidstaten en met, waar van toepassing, de strategisch belangrijke projecten zoals die in die strategieën zijn vastgesteld.

4. Het samenwerkingsprogramma beschrijft ook:

a) de uitvoeringsbepalingen die:

i) melding maken van de managementautoriteit, de certificeringsautoriteit, waar van toepassing, en de auditautoriteit;

ii) melding maken van de instantie of instanties die zijn aangewezen om controletaken uit te voeren;

iii) melding maken van de instantie of instanties die zijn aangewezen om audittaken uit te voeren;

iv) de procedure voor het instellen van het gezamenlijke secretariaat vastleggen;

v) de beheers- en controleregelingen beknopte beschrijven;

vi) de verdeling vastleggen van de aansprakelijkheden onder de deelnemende lidstaten in het geval van financiële correcties die door de managementautoriteit of de Commissie worden opgelegd.

b) de instantie waaraan de Commissie de betalingen verricht;

c) de maatregelen die zijn genomen om de partners als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 te betrekken bij het opstellen van het samenwerkingsprogramma, en de rol van deze partners bij het opstellen en de uitvoering van het samenwerkingsprogramma, met inbegrip van hun betrokkenheid bij het toezichtcomité.

5. In het samenwerkingsprogramma worden ook de navolgende aspecten opgenomen met inachtneming van de inhoud van de partnerschapsovereenkomst en rekening houdend met het institutioneel en juridisch kader van de lidstaten:

a) de mechanismen die zorgen voor een effectieve coördinatie tussen het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds, het ELFPO en het EFMZV en andere uniale en nationale financieringsinstrumenten, met inbegrip van de coördinatie tussen en eventuele combinatie met de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (Connecting Europe Facility) uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad (9), het ENI, het EOF, en het IPA II, alsook met de EIB, waarbij rekening wordt gehouden met de bepalingen als neergelegd in bijlage I bij Verordening (EU) nr.1303/2013, in situaties waarin lidstaten en derde landen of gebieden deelnemen aan samenwerkingsprogramma's met gebruik van EFRO-kredieten voor ultraperifere regio's en middelen van het EOF, coördinatiemechanismen op een adequaat niveau om een effectieve coördinatie te bevorderen van het gebruik van de die kredieten en middelen;

b) een samenvatting van de beoordeling van de administratieve lasten voor de begunstigden en waar nodig van de geplande acties om die lasten te verminderen, met een tijdsindicatie voor die acties.

6. De in lid 2, eerste alinea, onder a) en onder b), punten i) tot vii), lid 3 en lid 5, onder a), vereiste informatie wordt aangepast aan het specifieke karakter van samenwerkingsprogramma's uit hoofde van artikel 2, punt 3, onder b), c) en d). De in lid 2, eerste alinea, onder e), en lid 5, onder b), vereiste informatie wordt niet opgenomen in samenwerkingsprogramma's uit hoofde van artikel 2, punt 3, onder c) en d).

7. Elk samenwerkingsprogramma bevat waar van toepassing en rekening houdend met de naar behoren gemotiveerde beoordeling van de betrokken lidstaten van de relevantie ervan voor de inhoud en doelstellingen van het programma, een beschrijving van:

a) de specifieke maatregelen om bij de selectie van concrete acties rekening te houden met milieubeschermingseisen, efficiënt gebruik van hulpbronnen, matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, rampenbestendigheid en risicopreventie en risicobeheer;

b) de specifieke maatregelen om bij de voorbereiding, het ontwerp en de uitvoering van het samenwerkingsprogramma gelijke kansen te bevorderen en discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te voorkomen, met name in verband met de toegang tot financiering, daarbij rekening houdend met de behoeften van de verschillende doelgroepen die het risico lopen aldus te worden gediscrimineerd, en met name de eis om de toegankelijkheid voor personen met een handicap te waarborgen;

c) de bijdrage van het samenwerkingsprogramma aan de bevordering van gelijkheid van mannen en vrouwen en in voorkomend geval de regelingen om de integratie van het genderperspectief in het programma en in concrete acties te waarborgen.

Punten a) en b) van de eerste alinea zijn niet van toepassing op samenwerkingsprogramma's uit hoofde van artikel 2, punt 3, onder b), c) en d).

8. Samenwerkingsprogramma's uit hoofde van artikel 2, punt 3, onder c) en d), definiëren de begunstigde of begunstigden van het samenwerkingsprogramma en kunnen de toekenningsprocedure specificeren.

9. De deelnemende lidstaten en, wanneer zij de uitnodiging tot deelname aan het samenwerkingsprogramma hebben geaccepteerd, derde landen of gebieden bevestigen schriftelijk hun instemming met de inhoud van een samenwerkingsprogramma voordat het bij de Commissie wordt ingediend. Deze instemming omvat ook een verbintenis van alle deelnemende lidstaten en waar van toepassing, van derde landen of gebieden om de nodige medefinanciering voor de uitvoering van het samenwerkingsprogramma te verstrekken evenals, waar van toepassing, de toezegging voor een financiële bijdrage van de betreffende derde landen of gebieden.

In afwijking van de eerste alinea, worden voor samenwerkingsprogramma’s waarbij ultraperifere gebieden en derde landen of gebieden betrokken zijn, de respectieve derde landen of gebieden door de betrokken lidstaten geraadpleegd voordat de samenwerkingsprogramma’s bij de Commissie worden ingediend. In dit geval mag de instemming met de inhoud van de samenwerkingsprogramma's en de eventuele bijdrage van de derde landen of gebieden ook worden vastgelegd in de formeel goedgekeurde notulen van de overlegvergaderingen met de derde landen of gebieden of van de beraadslagingen van de regionale samenwerkingsorganisaties.

10. De deelnemende lidstaten en, wanneer zij de uitnodiging tot deelname aan het samenwerkingsprogramma hebben geaccepteerd, derde landen of gebieden stellen de samenwerkingsprogramma's op overeenkomstig het door de Commissie vastgestelde model.

11. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het model bedoeld in lid 10 vast. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 150, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

12. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een besluit vast waarin alle elementen, met inbegrip van toekomstige wijzigingen, worden goedgekeurd die onder dit artikel vallen, met uitzondering van de elementen waarop lid 2, onder b), punt vii), lid 2, onder c), punt v), lid 2, onder e), lid 4, onder a), punt i), lid 4, onder c), en de leden 5 en 7 van dit artikel van toepassing zijn, welke elementen tot de verantwoordelijkheid van de deelnemende lidstaten behoren.

13. Van een beslissing tot wijziging van de elementen van het samenwerkingsprogramma die niet onder het in lid 12 bedoelde Commissiebesluit valt, wordt de Commissie binnen één maand na de datum van dat wijzigingsbesluit door de managementautoriteit in kennis gesteld. Het wijzigingsbesluit vermeldt de datum van de inwerkingtreding ervan, die niet vroeger mag zijn dan de datum waarop het wordt vastgesteld.

Vorige artikelen

Volgende artikelen