Art. 3 Verordening (EU) nr. 1299/2013, Geografische reikwijdte
Verordening (EU) nr. 1299/2013
1. Voor grensoverschrijdende samenwerking zijn de te steunen regio's de regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie aan alle interne en externe landgrenzen, met uitzondering van die welke onder programma's in het kader van de externe financieringsinstrumenten van de Unie vallen, en alle aan zeegrenzen gelegen regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie die maximaal 150 km van elkaar verwijderd zijn, behoudens eventuele aanpassingen die nodig zijn om te zorgen voor de samenhang en continuïteit van gebieden van samenwerkingsprogramma's die voor de programmeringsperiode 2007-2013 zijn vastgesteld.
De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een besluit vast met de lijst van grensoverschrijdende gebieden die steun kunnen ontvangen, ingedeeld naar samenwerkingsprogramma. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 150, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.
In die lijst worden ook de regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie vermeld die in aanmerking zijn genomen voor de EFRO-toewijzing voor grensoverschrijdende samenwerking aan alle binnengrenzen, en aan al die buitengrenzen die onder de externe financieringsinstrumenten van de Unie vallen, zoals het ENI krachtens de ENI-wetgevingshandeling en het IPA II krachtens de IPA II-wetgevingshandeling.
Bij de indiening van ontwerpprogramma's voor grensoverschrijdende samenwerking kunnen de lidstaten er, in naar behoren gemotiveerde gevallen en met het oog op het waarborgen van de samenhang van grensoverschrijdende gebieden, om verzoeken dat andere regio's van NUTS-niveau 3 dan deze die zijn opgenomen in het in de tweede alinea bedoelde besluit, worden toegevoegd aan een gegeven gebied voor grensoverschrijdende samenwerking.
Met het oog op het bevorderen van de grensoverschrijdende samenwerking aan zeegrenzen in ultraperifere regio's, en onverminderd het bepaalde in de eerste alinea, kan de Commissie, op verzoek van de betrokken lidstaat of lidstaten, in het besluit bedoeld in de tweede alinea aan zeegrenzen gelegen regio's van NUTS-niveau 3 in ultraperifere gebieden die maximaal 150 km van elkaar verwijderd zijn, als grensoverschrijdende gebieden aanmerken die steun kunnen ontvangen uit de corresponderende allocaties van deze lidstaten.
2. Onverminderd artikel 20, leden 2 en 3, kunnen programma's voor grensoverschrijdende samenwerking regio's in Noorwegen en Zwitserland omvatten, alsook Liechtenstein, Andorra, Monaco, San Marino en in aan ultraperifere gebieden grenzende derde landen of gebieden, die alle gelijkwaardig zijn aan regio's van NUTS-niveau 3.
3. Voor transnationale samenwerking stelt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen een besluit vast met de lijst van transnationale gebieden die steun zullen ontvangen. De gebieden zijn ingedeeld naar samenwerkingsprogramma en omvatten regio's van NUTS-niveau 2. Daarbij wordt gezorgd voor de continuïteit van deze samenwerking in grotere coherente gebieden op basis van vroegere programma's, waar van toepassing rekening houdend met macroregionale en zeebekkenstrategieën. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 150, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.
Bij de indiening van ontwerpprogramma's voor transnationale samenwerking kunnen de lidstaten erom verzoeken dat nog meer regio's van NUTS-niveau 2 die grenzen aan de regio's die zijn opgenomen in het in de eerste alinea bedoelde besluit, worden toegevoegd aan een gegeven gebied voor transnationale samenwerking. De lidstaten geven daarbij de redenen voor dat verzoek op.
4. Onverminderd artikel 20, leden 2 en 3, kunnen programma's voor transnationale samenwerking regio's in beide van de volgende derde landen of gebieden omvatten:
a) de in lid 2 van dit artikel genoemde of bedoelde derde landen of gebieden;
b) Faeröer en Groenland.
Onverminderd artikel 20, leden 2 en 3, kunnen programma's voor transnationale samenwerking ook regio's in derde landen omvatten die onder de externe financieringsinstrumenten van de Unie vallen, zoals het ENI krachtens de ENI-wetgevingshandeling, met inbegrip van de desbetreffende regio's van de Russische Federatie, en het IPA II krachtens de IPA II-wetgevingshandeling. Er zullen jaarlijkse kredieten die overeenstemmen met de steun van het ENI en het IPA II voor deze programma's beschikbaar worden gesteld, mits de programma's in toereikende mate beantwoorden aan de relevante doelstellingen van externe samenwerking.
Zulke regio’s zijn gelijkwaardig aan regio’s van NUTS-niveau 2.
5. Voor interregionale samenwerking bestrijkt de steun uit het EFRO het gehele grondgebied van de Unie.
Onverminderd artikel 20, leden 2 en 3, kunnen programma's voor interregionale samenwerking het geheel of een deel van de in lid 4, eerste alinea, onder a) en b), van dit artikel bedoelde landen of gebieden omvatten.
6. Ter informatie worden regio's van de in de leden 2 en 4 bedoelde derde landen of gebieden vermeld in de in de leden 1 en 3 bedoelde lijsten.
7. Met het oog op het vergroten van de efficiëntie van de programma-uitvoering, kunnen ultraperifere regio's, in naar behoren gemotiveerde gevallen, de EFRO-bedragen die voor grensoverschrijdende en transnationale samenwerking zijn toegewezen, binnen één enkel programma voor territoriale samenwerking combineren, met inbegrip van de aanvullende toewijzing waarin artikel 4, lid 2, voorziet, en mits zij voldoen aan de geldende regels voor elk van die toewijzingen.