Art. 2 Verordening (EU) nr. 813/2013, Definities
In aanvulling op de in artikel 2 van Richtlijn 2009/125/EG vastgestelde definities gelden voor de doeleinden van deze verordening de volgende definities:
1. „verwarmingstoestel”: een ruimteverwarmingstoestel of een combinatieverwarmingstoestel;
2. „ruimteverwarmingstoestel”: een toestel dat
a) warmte verstrekt aan een centraleverwarmingssysteem op basis van water om een gewenste binnentemperatuur van een ingesloten ruimte, zoals een gebouw, een woning of een kamer, te bereiken en te behouden, en
b) uitgerust is met één of meerdere warmtegeneratoren;
3. „combinatieverwarmingstoestel”: een ruimteverwarmingstoestel dat ontworpen is om ook warmte op te wekken voor het afleveren van warm drinkwater of warm water voor sanitaire doeleinden op bepaalde temperaturen, in bepaalde hoeveelheden en aan bepaalde debieten met bepaalde tussenpozen, en dat gekoppeld is aan een externe voorziening van drinkwater of water voor sanitaire doeleinden;
4. „centraleverwarmingssysteem op basis van water”: een systeem dat gebruikmaakt van water als middel voor warmteoverdracht om centraal opgewekte warmte te verspreiden over warmtestralers om gebouwen of gedeelten ervan te verwarmen;
5. „warmtegenerator”: het onderdeel van een verwarmingstoestel dat de warmte genereert via één of meerdere van de volgende processen:
a) verbranding van fossiele brandstoffen en/of biobrandstoffen;
b) gebruik van het joule-effect in verwarmingselementen met elektrische weerstand;
c) opvangen van omgevingswarmte uit een luchtbron, waterbron of grondbron, en/of afvalwarmte;
waarbij een voor een verwarmingstoestel ontworpen warmtegenerator en een met dergelijke warmtegenerator uit te rusten behuizing van verwarmingstoestellen ook als een verwarmingstoestel wordt beschouwd;
6. „behuizing van verwarmingstoestel”: het deel van een verwarmingstoestel dat ontworpen is om er een warmtegenerator in te monteren;
7. „nominale warmteafgifte” (Pnominaal): de aangegeven warmteafgifte van een verwarmingstoestel bij het voorzien van ruimteverwarming en, indien van toepassing, waterverwarming, onder nominale standaardomstandigheden, uitgedrukt in kW; voor ruimteverwarmingstoestellen met warmtepomp en combinatieverwarmingstoestellen met warmtepomp zijn de nominale standaardomstandigheden voor het vaststellen van de nominale warmteafgifte de referentieontwerpvoorwaarden, zoals bepaald in tabel 4 van bijlage III;
8. „nominale standaardomstandigheden”: de functioneringsomstandigheden van verwarmingstoestellen in gemiddelde klimaatomstandigheden voor de vaststelling van de nominale warmteafgifte, de seizoensgebonden energie-efficiëntie van ruimteverwarming, de energie-efficiëntie van waterverwarming, het geluidsvermogensniveau en de stikstofoxide-emissies;
9. „biomassa”: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van biologische herkomst uit de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;
10. „biobrandstof”: een gasvormige of vloeibare brandstof die gewonnen is uit biomassa;
11. „fossiele brandstof”: een gasvormige of vloeibare brandstof van fossiele oorsprong;
12. „ruimteverwarmingstoestel met ketel”: een ruimteverwarmingstoestel dat warmte genereert door de verbranding van fossiele brandstoffen en/of biobrandstoffen en/of het joule-effect in verwarmingselementen met elektrische weerstand;
13. „combinatieverwarmingstoestel met ketel”: een ruimteverwarmingstoestel met ketel dat ontworpen is om ook warmte te genereren voor het afleveren van warm drinkwater of warm water voor sanitaire doeleinden op bepaalde temperaturen, in bepaalde hoeveelheden en aan bepaalde debieten met bepaalde tussenpozen, en dat gekoppeld is aan een externe voorziening van drinkwater of water voor sanitaire doeleinden;
14. „ruimteverwarmingstoestel met elektrische ketel”: een ruimteverwarmingstoestel met ketel dat warmte genereert door uitsluitend gebruik te maken van het joule-effect in verwarmingselementen met elektrische weerstand;
15. „combinatieverwarmingstoestel met elektrische ketel”: een combinatieverwarmingstoestel met ketel dat warmte genereert door uitsluitend gebruik te maken van het joule-effect in verwarmingselementen met elektrische weerstand;
16. „ruimteverwarmingstoestel op basis van warmtekrachtkoppeling”: een ruimteverwarmingstoestel dat gelijktijdig en in één proces warmte en elektriciteit genereert;
17. „ruimteverwarmingstoestel met warmtepomp”: een ruimteverwarmingstoestel dat omgevingswarmte van een lucht-, water- of grondbron, en/of afvalwarmte gebruikt voor het genereren van warmte; een ruimteverwarmingstoestel met warmtepomp kan zijn uitgerust met één of meerdere aanvullende verwarmingstoestellen die gebruikmaken van het joule-effect in verwarmingselementen met elektrische weerstand of die werken door middel van de verbranding van fossiele en/of biobrandstoffen;
18. „combinatieverwarmingstoestel met warmtepomp”: een ruimteverwarmingstoestel met warmtepomp dat ontworpen is om ook warmte te genereren voor het afleveren van warm drinkwater of warm water voor sanitaire doeleinden op bepaalde temperaturen, in bepaalde hoeveelheden en aan bepaalde debieten met bepaalde tussenpozen, en dat gekoppeld is aan een externe voorziening van drinkwater of water voor sanitaire doeleinden;
19. „aanvullend verwarmingstoestel”: een niet-preferentieel verwarmingstoestel dat warmte genereert wanneer de warmtevraag groter is dan de nominale warmteafgifte van het preferentiële verwarmingstoestel;
20. „seizoensgebonden energie-efficiëntie van ruimteverwarming” (ηs ): de verhouding tussen de vraag naar ruimteverwarming in een bepaald verwarmingsseizoen, geleverd door een verwarmingstoestel, en het jaarlijkse energieverbruik dat nodig is om aan deze vraag te voldoen, uitgedrukt in %;
21. „energie-efficiëntie van waterverwarming” (ηwh ): de verhouding tussen de nuttige energie die door een combinatieverwarmingstoestel geleverd wordt voor het afleveren van drinkwater of water voor sanitaire doeleinden en de energie die nodig is voor het genereren van die energie, uitgedrukt in %;
22. „geluidsvermogensniveau” (LWA ): het A-gewogen geluidsvermogensniveau, binnen en/of buiten, uitgedrukt in dB;
23. „omrekeningscoëfficiënt” (CC): een coëfficiënt die de geraamde gemiddelde EU-opwekkingsefficiëntie van 40 % weerspiegelt als bedoeld in Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad (7); de waarde van de omrekeningscoëfficiënt is CC = 2,5.
Voor de doeleinden van bijlagen II tot en met V worden bijkomende definities vastgesteld in bijlage I.