Art. 2 Richtlijn 2009/125/EG, Definities

Richtlijn 2009/125/EG

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. „energiegerelateerd product”, hierna „product” genoemd: elk op de markt geïntroduceerd en/of in gebruik genomen goed dat tijdens het gebruik een effect heeft op het energieverbruik, met inbegrip van onderdelen die bedoeld zijn om in onder deze richtlijn vallende energiegerelateerde producten te worden ingebouwd en die ten behoeve van eindgebruikers op de markt worden geïntroduceerd en/of in gebruik worden genomen als losse onderdelen waarvan de milieuprestaties onafhankelijk kunnen worden beoordeeld;

2. „componenten en subeenheden”: onderdelen die bedoeld zijn om in producten te worden ingebouwd, en die niet als losse onderdelen ten behoeve van eindgebruikers op de markt worden geïntroduceerd en/of in gebruik worden genomen of waarvan de milieuprestaties niet onafhankelijk kunnen worden beoordeeld;

3. „uitvoeringsmaatregelen”: op basis van deze richtlijn vastgestelde maatregelen tot vaststelling van ecologische ontwerpvoorschriften voor gedefinieerde producten of voor milieuaspecten daarvan;

4. „op de markt introduceren”: een product voor het eerst op de communautaire markt aanbieden, tegen vergoeding of kosteloos, met het oog op de distributie of het gebruik ervan binnen de Gemeenschap, ongeacht de verkooptechniek;

5. „ingebruikneming”: eerste gebruik door de eindgebruiker van een product in de Gemeenschap, overeenkomstig het gebruiksdoel;

6. „fabrikant”: natuurlijk of rechtspersoon die onder deze richtlijn vallende producten vervaardigt en verantwoordelijk is voor de overeenstemming van het product met deze richtlijn met het oog op het op de markt introduceren en/of het in gebruik nemen ervan onder zijn eigen naam of handelsmerk of voor eigen gebruik. Bij het ontbreken van een fabrikant zoals gedefinieerd in de eerste zin van dit punt of van een importeur zoals omschreven in punt 8, wordt een natuurlijk of rechtspersoon die de onder deze richtlijn vallende producten op de markt introduceert en/of in gebruik neemt, als fabrikant beschouwd;

7. „gevolmachtigde”: elke in de Gemeenschap gevestigde natuurlijk of rechtspersoon die schriftelijk door de fabrikant is gemachtigd om namens hem alle of een deel van de verplichtingen en formaliteiten in verband met deze richtlijn te vervullen;

8. „importeur”: in de Gemeenschap gevestigde natuurlijk of rechtspersoon die in het kader van zijn commerciële activiteiten een product uit een derde land op de communautaire markt introduceert;

9. „materialen”: alle materialen die tijdens de levenscyclus van een product worden gebruikt;

10. „productontwerp”: de reeks processen waarbij wettelijke, technische, veiligheids-, functionele, markt- of andere voorschriften waaraan een product moet voldoen, in de technische specificatie van dat product worden omgezet;

11. „milieuaspect”: een element of functie van een product dat of die tijdens de levenscyclus ervan met het milieu kan interageren;

12. „milieueffect”: elke verandering in het milieu die geheel of gedeeltelijk het gevolg van producten is en zich voordoet tijdens hun levenscyclus;

13. „levenscyclus”: de opeenvolgende en onderling met elkaar verbonden stadia van een product vanaf het gebruik van grondstoffen tot de uiteindelijke verwijdering;

14. „hergebruik”: elke handeling waarbij producten of componenten ervan die aan het einde van hun eerste gebruiksmogelijkheid zijn gekomen, worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor ze waren ontworpen, met inbegrip van het voortgezette gebruik van producten die naar inzamelcentra, distributeurs, recycleercentra of fabrikanten worden teruggebracht, alsmede het hergebruik van producten na revisie;

15. „recycling”: herverwerking van afvalstoffen in een productieproces voor het oorspronkelijke doel of voor andere doeleinden, met uitsluiting van energieterugwinning;

16. „energieterugwinning”: het gebruik van brandbaar afval als middel om energie op te wekken door directe verbranding met of zonder ander afval, maar met terugwinning van de warmte;

17. „terugwinning”: elk van de toepasselijke werkzaamheden vermeld in bijlage II B bij Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 inzake afvalstoffen (20);

18. „afvalstoffen”: elke stof of elk voorwerp van de in bijlage I bij Richtlijn 2006/12/EG vermelde categorieën waarvan de houder zich ontdoet of van plan is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

19. „gevaarlijke afvalstoffen”: alle afvalstoffen waarop artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (21) van toepassing is;

20. „ecologisch profiel”: een beschrijving, overeenkomstig de op het product toepasselijke uitvoeringsmaatregel, van de over de gehele levenscyclus aan een product verbonden inputs en outputs (zoals grondstoffen, emissies en afvalstoffen) die uit het oogpunt van hun milieueffect significant zijn en in meetbare fysische grootheden worden uitgedrukt;

21. „milieuprestaties” van een product: de resultaten van het beheer van de milieuaspecten van het product door de fabrikant, zoals weergegeven in het technische documentatiedossier van het product;

22. „verbetering van de milieuprestaties”: het proces bestaande in het verbeteren van de milieuprestaties van een product over opeenvolgende generaties, hoewel niet noodzakelijkerwijze met betrekking tot alle milieuaspecten van het product tegelijkertijd;

23. „ecologisch ontwerp”: de integratie van milieuaspecten in het productontwerp met het doel de milieuprestaties van het product over zijn gehele levenscyclus te verbeteren;

24. „voorschrift inzake ecologisch ontwerp”: elk voorschrift met betrekking tot een product of het ontwerp van een product dat wordt vastgesteld met het doel de milieuprestaties ervan te verbeteren, of elk voorschrift inzake het verstrekken van informatie betreffende de milieuaspecten van een product;

25. „generiek voorschrift inzake ecologisch ontwerp”: elk voorschrift inzake ecologisch ontwerp dat is gebaseerd op het ecologische profiel als geheel en waarbij geen grenswaarden voor bepaalde milieuaspecten worden vastgesteld;

26. „specifiek voorschrift inzake ecologisch ontwerp”: een gekwantificeerd en meetbaar voorschrift inzake ecologisch ontwerp betreffende een bepaald milieuaspect van een product, zoals het energieverbruik tijdens het gebruik, berekend voor een gegeven eenheid van geleverde prestatie;

27. „geharmoniseerde norm”: een technische specificatie die op basis van een mandaat van de Commissie door een erkende normalisatie-instelling is goedgekeurd overeenkomstig de in Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (22) vastgestelde procedure voor het vaststellen van een Europees voorschrift, waarvan de inachtneming niet verplicht is.

Verwijst naar

Artikelen die hiernaar verwijzen

Vorige artikelen

Volgende artikelen