Art. 458 Verordening (EU) nr. 575/2013, Macroprudentieel of systeemrisico onderkend op het niveau van een lidstaat

Verordening (EU) nr. 575/2013

1. De lidstaten wijzen de autoriteit aan die met de toepassing van dit artikel wordt belast. Deze autoriteit is de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit.

2. Indien de overeenkomstig lid 1 bepaalde autoriteit veranderingen constateert in de intensiteit van macroprudentieel of systeemrisico in het financiële stelsel met mogelijke ernstige gevolgen voor het financiële stelsel en de reële economie in een welbepaalde lidstaat, die naar het oordeel van die autoriteit beter met strengere nationale maatregelen kunnen worden ondervangen, stelt zij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het ESRB en de EBA daarvan in kennis, onder overlegging van relevante kwantitatieve of kwalitatieve aanwijzingen betreffende al het volgende:

a) de veranderingen in de intensiteit van macroprudentieel of systeemrisico;

b) de redenen waarom die veranderingen de financiële stabiliteit op nationaal niveau in gevaar kunnen brengen;

c) de redenen waarom het geconstateerde macroprudentiële of systeemrisico niet adequaat met de artikelen 124 en 164 van deze verordening en de artikelen 101, 103, 104, 105, 133 en 136 van Richtlijn 2013/36/EU kan worden ondervangen, de relatieve effectiviteit van die maatregelen in aanmerking genomen;

d) de ontwerpen van nationale maatregelen die tot doel hebben om voor instellingen waaraan in eigen land een vergunning is verleend, of subgroepen van die instellingen, de veranderingen in de intensiteit van het risico te mitigeren en die betrekking hebben op:

i) het niveau van het eigen vermogen vastgelegd in artikel 92;

ii) de vereisten voor grote risicoblootstellingen vastgelegd in artikel 392 en in de artikelen 395 tot en met 403;

iii) de openbaarmakingsvereisten vastgelegd in de artikelen 431 tot en met 455;

iv) het niveau van de kapitaalinstandhoudingsbuffer neergelegd in artikel 129 van Richtlijn 2013/36/EU;

v) de liquiditeitsvereisten neergelegd in deel 6;

vi) risicogewichten gericht tegen zeepbellen in activa in de sector niet-zakelijk en zakelijk onroerend goed; of

vii) blootstellingen binnen de financiële sector;

e) een uiteenzetting van de redenen waarom de ontwerpmaatregelen door de overeenkomstig lid 1 aangewezen autoriteit geschikt, doeltreffend en evenredig voor het ondervangen van de dreiging worden geacht; en

f) een beoordeling van het vermoedelijke positieve of negatieve effect van de ontwerpmaatregelen op de interne markt op grond van informatie waarover de betrokken lidstaat beschikt.

3. De overeenkomstig lid 1 bepaalde autoriteiten die worden gemachtigd tot het toepassen van nationale maatregelen overeenkomstig dit artikel, verstrekken alle relevante informatie aan de relevante bevoegde of aangewezen autoriteiten van andere lidstaten.

4. De bevoegdheid tot vaststelling van een uitvoeringshandeling houdende verwerping van de ontwerpen van nationale maatregelen als bedoeld in lid 2, onder d), wordt toegekend aan de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, op voorstel van de Commissie.

Binnen één maand na ontvangst van de in lid 2 bedoelde kennisgeving verstrekken het ESRB en de EBA hun respectieve adviezen betreffende de in dat lid vermelde punten aan de Raad, de Commissie en aan de betrokken lidstaat.

Zoveel mogelijk rekening houdend met de in de tweede alinea bedoelde adviezen, kan de Commissie, indien er solide, sterke en gedetailleerde aanwijzingen zijn dat de maatregel een negatief effect zal hebben op de interne markt dat sterker zal doorwegen dan de baten van de financiële stabiliteit die het gevolg is van de vermindering van de geconstateerde macroprudentiële of systeemrisico's, binnen één maand bij de Raad een voorstel indienen voor een uitvoeringshandeling houdende verwerping van de ontwerpen van nationale maatregelen.

Dient de Commissie geen voorstel in binnen die periode van één maand, dan kan de betrokken lidstaat de de ontwerpen van nationale maatregelen onmiddellijk vaststellen voor een periode van maximaal twee jaar of, indien dat eerder is, totdat het macroprudentieel of systeemrisico zich niet langer voordoet.

De Raad neemt binnen één maand na ontvangst van het voorstel van de Commissie een besluit ter zake en vermeldt waarom hij de ontwerpen van nationale maatregelen al dan niet verwerpt.

De Raad verwerpt de ontwerpen van nationale maatregelen uitsluitend indien hij van oordeel is dat de volgende voorwaarden niet zijn vervuld:

a) de veranderingen in de intensiteit van het macroprudentieel of systeemrisico zijn van dien aard dat zij op nationaal niveau een risico voor de financiële stabiliteit vormen;

b) het geconstateerde macroprudentiële of systeemrisico kan niet adequaat worden ondervangen met de artikelen 124 en 164 van deze verordening en de artikelen 101, 103, 104, 105, 133 en 136 van Richtlijn 2013/36/EU, de relatieve effectiviteit van die maatregelen in aanmerking genomen;

c) de ontwerpen van nationale maatregelen zijn geschikter om het geconstateerde macroprudentiële of systeemrisico te ondervangen en hebben geen onevenredige negatieve gevolgen voor het geheel of delen van het financiële stelsel in andere lidstaten, of van de Unie als geheel, waardoor zij een belemmering voor de werking van de interne markt zouden vormen;

d) de aangelegenheid gaat slechts één lidstaat aan; en

e) de risico's zijn niet reeds ondervangen met andere maatregelen in deze verordening of in Richtlijn 2013/36/EU.

Bij zijn beoordeling houdt de Raad rekening met het advies van het ESRB en de EBA en baseert hij zich op de aanwijzingen die door de overeenkomstig lid 1 bepaalde autoriteit overeenkomstig lid 2 zijn overgelegd.

Stelt de Raad niet binnen één maand na ontvangst van het voorstel van de Commissie een uitvoeringshandeling vast houdende verwerping van de ontwerpen van nationale maatregelen, dan kan de lidstaat de maatregelen vaststellen en toepassen voor een periode van maximaal twee jaar of, indien dat eerder is, totdat het macroprudentieel of systeemrisico zich niet langer voordoet.

5. Andere lidstaten kunnen de overeenkomstig dit artikel vastgestelde maatregelen erkennen en hen toepassen op bijkantoren waaraan in eigen land een vergunning is verleend en welke gevestigd zijn in de lidstaat die tot het toepassen van de maatregelen gemachtigd is.

6. Indien lidstaten de overeenkomstig dit artikel vastgestelde maatregelen erkennen, stellen zij de Raad, de Commissie, de EBA, het ESRB en de lidstaat die tot het toepassen van de maatregelen gemachtigd is daarvan in kennis.

7. Bij het besluit tot erkenning van de overeenkomstig dit artikel vastgestelde maatregelen neemt de lidstaat de in lid 4 bepaalde criteria in aanmerking.

8. De lidstaat die tot het toepassen van de maatregelen gemachtigd is, kan het ESRB verzoeken een aanbeveling als bedoeld in artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010, te doen aan een of meer van de lidstaten die de maatregelen niet erkennen.

9. Vóór het verstrijken van de overeenkomstig lid 4 verleende machtiging evalueert de lidstaat in overleg met het ESRB en de EBA de situatie en kan hij volgens de in lid 4 bedoelde procedure een nieuw besluit vaststellen waarbij de toepassingstermijn van de nationale maatregelen met telkens een bijkomend jaar wordt verlengd. Na de eerste verlenging evalueert de Commissie in overleg met het ESRB en de EBA de situatie ten minste jaarlijks.

10. Niettegenstaande de in de leden 3 tot en met 9 beschreven procedure is het de lidstaten toegestaan de risicogewichten waarin bij deze verordening wordt voorzien voor de in lid 2, punt d), onder vi) en vii), van dit artikel bedoelde blootstellingen, met ten hoogste 25 % te verhogen en de in artikel 395 bepaalde limiet voor grote risicoblootstellingen met ten hoogste 15 % te verlagen voor een periode van maximaal twee jaar of, indien dat eerder is, totdat het macroprudentieel of systeemrisico zich niet langer voordoet, mits aan de voorwaarden en de kennisgevingsvereisten van lid 2 van dit artikel wordt voldaan.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen