Art. 402 Verordening (EU) nr. 575/2013, Blootstellingen die voortvloeien uit hypothecaire leningen
1. Een instelling kan met het oog op de berekening van blootstellingswaarden voor de toepassing van artikel 395, de waarde van een blootstelling of een deel van een blootstelling die volledig door onroerend goed wordt gedekt overeenkomstig artikel 125, lid 1, verminderen met het in zekerheid gegeven bedrag van de marktwaarde of de hypotheekwaarde van het betrokken goed, met dien verstande dat dit bedrag in de lidstaten die bij statutaire of bestuursrechtelijke bepalingen strikte criteria voor de beoordeling van de hypotheekwaarde hebben vastgesteld niet hoger mag zijn dan 50 % van de marktwaarde of 60 % van de hypotheekwaarde, indien aan elk van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) de bevoegde autoriteiten van de lidstaat hebben een risicogewicht bepaald dat niet hoger is dan 35 % voor blootstellingen of delen van blootstellingen die door niet-zakelijk onroerend goed zijn gedekt, overeenkomstig artikel 124, lid 2;
b) de blootstelling of het deel van de blootstelling is volledig gedekt door
i) hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed; of
ii) een niet-zakelijk onroerend goed in een transactie inzake financieringshuur (leasing) krachtens welke de leasegever de volledige eigendom van het verhuurde niet-zakelijk onroerend goed behoudt en waarbij de leasenemer zijn koopoptie nog niet heeft uitgeoefend;
c) er wordt aan de vereisten in artikel 208 en artikel 229, lid 1, voldaan.
2. Een instelling kan met het oog op de berekening van blootstellingswaarden voor de toepassing van artikel 395, de waarde van een blootstelling of een deel van een blootstelling die volledig door onroerend goed wordt gedekt overeenkomstig artikel 126, lid 1, verminderen met het in zekerheid gegeven bedrag van de marktwaarde of de hypotheekwaarde van het betrokken goed, met dien verstande dat dit bedrag in de lidstaten die bij statutaire of bestuursrechtelijke bepalingen strikte criteria voor de beoordeling van de hypotheekwaarde hebben vastgesteld niet hoger mag zijn dan 50 % van de marktwaarde of 60 % van de hypotheekwaarde, indien aan elk van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) de bevoegde autoriteiten van de lidstaat hebben geen risicogewicht vastgesteld dat hoger is dan 50 % voor blootstellingen of gedeelten van blootstellingen die door zakelijk onroerend goed zijn gedekt, overeenkomstig artikel 124, lid 2;
b) de blootstelling is volledig gedekt door:
i) hypotheken op kantoorgebouwen of andere zakelijke panden; of
ii) kantoorgebouwen of andere zakelijke panden, en de blootstellingen in het kader van transacties inzake leasing;
c) er wordt voldaan aan de vereisten in artikel 126, lid 2, punt a), artikel 208 en artikel 229, lid 1;
d) het zakelijk onroerend goed is volledig afgebouwd.
3. Een instelling kan een blootstelling met betrekking tot een tegenpartij welke voortvloeit uit een omgekeerde retrocessieovereenkomst uit hoofde waarvan de instelling van de tegenpartij niet-accessoire onafhankelijke hypothecaire pandrechten op onroerend goed van derden heeft gekocht, behandelen als een aantal afzonderlijke blootstellingen op elk van die derden, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
a) de tegenpartij is een instelling;
b) de blootstelling is volledig gedekt door pandrechten op het onroerend goed van die derden die door de instelling zijn aangekocht en de instelling is in staat die pandrechten uit te oefenen;
c) de instelling heeft ervoor gezorgd dat wordt voldaan aan de vereisten in artikel 208 en artikel 229, lid 1;
d) in het geval van in gebreke blijven, insolventie of liquidatie van de tegenpartij wordt de instelling de begunstigde van de vorderingen die de tegenpartij jegens de derden heeft;
e) de instelling rapporteert het totale bedrag van de blootstellingen met betrekking tot iedere andere instelling welke overeenkomstig dit lid worden behandeld aan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 394.
Voor de toepassing van deze bepaling gaat de instelling uit van de hypothese dat zij met betrekking tot iedere derde een blootstelling heeft ten belope van het bedrag van de vordering die de tegenpartij jegens de derde heeft, in plaats van ten belope van het overeenkomstige bedrag van de blootstelling met betrekking tot de tegenpartij. Het eventuele resterende bedrag van de blootstelling met betrekking tot de tegenpartij wordt nog steeds behandeld als een blootstelling met betrekking tot de tegenpartij.