Art. 395 Verordening (EU) nr. 575/2013, Limieten voor grote blootstellingen

Verordening (EU) nr. 575/2013

1. Een instelling gaat, met betrekking tot een cliënt of een groep van verbonden cliënten, geen blootstelling aan waarvan de waarde, na inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403, 25 % van haar in aanmerking komend kapitaal overschrijdt. Indien die cliënt een instelling is of indien een groep van verbonden cliënten een of meer instellingen omvat, overschrijdt die waarde niet 25 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling of - als dit hoger is - 150 miljoen EUR, met dien verstande dat de som van de blootstellingswaarden met betrekking tot alle verbonden cliënten die geen instelling zijn, na inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403, niet 25 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling overschrijdt.

Indien het bedrag van 150 miljoen EUR hoger is dan 25 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling, overschrijdt de blootstellingswaarde, na inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403, niet een redelijke limiet in termen van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling. Die limiet wordt door de instelling bepaald overeenkomstig de in artikel 81 van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde beleidslijnen en procedures met het oog op het ondervangen en beheersen van het concentratierisico. Deze limiet overschrijdt niet 100 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling.

De bevoegde autoriteiten kunnen een lagere limiet dan 150 miljoen EUR bepalen, en brengen die limiet ter kennis van de EBA en de Commissie.

2. De EBA vaardigt overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, rekening houdend met het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403 en met de resultaten van ontwikkelingen inzake schaduwbankieren en grote risicoblootstellingen op Unie- en internationaal niveau, uiterlijk op 31 december 2014 richtsnoeren uit voor het vaststellen van passende geaggregeerde limieten voor dergelijke risicoblootstellingen of van stringentere afzonderlijke limieten voor blootstellingen met betrekking tot schaduwbankentiteiten die buiten een gereglementeerd kader bankactiviteiten verrichten.

Bij het ontwikkelen van die richtsnoeren overweegt de EBA of de invoering van bijkomende limieten een wezenlijke schadelijke impact zou hebben op het risicoprofiel van in de Unie gevestigde instellingen, op de kredietverstrekking aan de reële economie of op de stabiliteit en de deugdelijke werking van de financiële markten.

Uiterlijk op 31 december 2015 beoordeelt de Commissie de passendheid en de impact van het opleggen van limieten voor blootstellingen met betrekking tot schaduwbankentiteiten die buiten een gereglementeerd kader bankactiviteiten verrichten, daarbij rekening houdend met ontwikkelingen in de Unie en internationale ontwikkelingen inzake schaduwbankieren en grote risicoblootstellingen en met kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403. De Commissie brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval samen met een wetgevingsvoorstel betreffende limieten voor blootstellingen met betrekking tot schaduwbankentiteiten die buiten een gereglementeerd kader bankactiviteiten verrichten.

3. Onverminderd artikel 396 leeft een instelling te allen tijde de toepasselijke in lid 1 bedoelde limiet in acht.

4. Activa in de vorm van vorderingen en andere blootstellingen met betrekking tot erkende beleggingsondernemingen uit een derde land kunnen worden onderworpen aan dezelfde behandeling als vervat in lid 1.

5. De in dit artikel bedoelde limieten kunnen worden overschreden voor de blootstellingen in de handelsportefeuille van de instelling, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) de blootstelling in de niet-handelsportefeuille met betrekking tot de cliënt of groep van verbonden cliënten in kwestie overschrijdt niet de in lid 1 bedoelde limiet, waarbij deze limiet wordt berekend in termen van het in aanmerking komend kapitaal, zodat de overschrijding zich integraal voordoet binnen de handelsportefeuille;

b) de instelling voldoet aan een additioneel eigenvermogensvereiste voor de overschrijding van de in lid 1 bedoelde limiet, berekend overeenkomstig de artikelen 397 en 398;

c) indien niet meer dan tien dagen zijn verstreken sedert de overschrijding zich heeft voorgedaan, overschrijdt de blootstelling in de handelsportefeuille met betrekking tot de betrokken cliënt of groep van verbonden cliënten niet 500 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling;

d) alle overschrijdingen die langer dan tien dagen duren, overschrijden in het totaal niet meer dan 600 % van het in aanmerking komend kapitaal van de instelling.

Voor elk geval waarin de limiet is overschreden, rapporteert de instelling de hoogte van de overschrijding en de naam van de betrokken cliënt, en, naar gelang het geval, de naam van de betrokken groep van verbonden cliënten, onverwijld aan de bevoegde autoriteiten.

6. Voor de toepassing van dit lid wordt onder structurele maatregelen verstaan maatregelen die door een lidstaat worden genomen en door de betrokken bevoegde autoriteiten van die lidstaat worden uitgevoerd, vóór de inwerkingtreding van een rechtshandeling die uitdrukkelijk strekt tot harmonisatie van die maatregelen, uit hoofde waarvan kredietinstellingen waaraan in die lidstaat een vergunning is verleend, gehouden zijn hun blootstellingen met betrekking tot verschillende juridische entiteiten, al naargelang hun activiteiten, ongeacht waar die activiteiten plaatsvinden, te verlagen teneinde deposanten te beschermen en de financiële stabiliteit in stand te houden.

Onverminderd lid 1 van dit artikel en artikel 400, lid 1, punt f), kunnen, wanneer lidstaten nationale wetten vaststellen uit hoofde waarvan in een bankgroep structurele maatregelen moeten worden genomen, de bevoegde autoriteiten de instellingen van de bankgroep die deposito's aanhoudt die onder een depositogarantiestelsel overeenkomstig Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (30) of onder een gelijkwaardig depositogarantiestelsel in een derde land vallen, verplichten tot het toepassen van een groterisicoblootstellingslimiet van minder dan 25 % maar ten laagste 15 % tussen 31 december 2014 en 30 juni 2015, en van ten laagste 10 % vanaf 1 juli 2015 op gesubconsolideerde basis overeenkomstig artikel 11, lid 5 inzake intragroepblootstellingen indien die blootstellingen bestaan uit blootstellingen met betrekking tot een entiteit die, wat de structurele maatregelen betreft, niet tot dezelfde subgroep behoort.

Voor de toepassing van dit lid wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a) alle entiteiten die, wat de structurele maatregelen betreft, tot een zelfde subgroep behoren, worden als één cliënt of groep van verbonden cliënten beschouwd;

b) de bevoegde autoriteiten passen op de in de eerste alinea bedoelde blootstellingen een uniforme limiet toe.

De toepassing van deze benadering doet geen afbreuk aan het effectieve toezicht op geconsolideerde basis en heeft geen onevenredige negatieve gevolgen voor het geheel of delen van het financiële stelsel van andere lidstaten of van de Unie als geheel, noch belemmert zij de werking van de interne markt.

7. Alvorens de in lid 6 bedoelde specifieke structurele maatregelen in verband met grote risicoblootstellingen vast te stellen, stellen de bevoegde autoriteiten ten minste twee maanden voordat het besluit tot vaststelling van de structurele maatregelen wordt bekendgemaakt, de Raad, de Commissie, de betrokken bevoegde autoriteiten en de EBA daarvan in kennis, onder overlegging van relevante kwantitatieve of kwalitatieve aanwijzingen betreffende al het volgende:

a) de werkingssfeer van de activiteiten die aan de structurele maatregelen worden onderworpen;

b) een toelichting van de redenen waarom de betrokken ontwerpmaatregelen passend, doeltreffend en evenredig voor het beschermen van deposanten worden geacht;

c) een beoordeling van het vermoedelijke positieve of negatieve effect van de maatregelen op de interne markt op grond van informatie waarover de lidstaat beschikt.

8. De bevoegdheid tot vaststelling van een uitvoeringshandeling houdende aanvaarding of verwerping van de voorgestelde nationale maatregelen bedoeld in lid 7 wordt toegekend aan de Commissie, die handelt overeenkomstig artikel 464, lid 2.

Binnen één maand na ontvangst van de in lid 7 bedoelde kennisgeving verstrekt de EBA haar advies betreffende de in dat lid vermelde punten aan de Raad, de Commissie en de betrokken lidstaat. Ook de betrokken bevoegde autoriteiten kunnen hun adviezen betreffende de in dat lid vermelde punten aan de Raad, de Commissie, en de betrokken lidstaat verstrekken.

Zoveel mogelijk rekening houdend met de in de tweede alinea bedoelde adviezen, verwerpt de Commissie, indien er solide en sterke aanwijzingen zijn dat de maatregelen een negatief effect op de interne markt hebben dat sterker doorweegt dan de baten van de financiële stabiliteit, binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving de voorgestelde nationale maatregelen. Anders aanvaardt de Commissie de voorgestelde nationale maatregelen voor een eerste periode van twee jaar, en kunnen de maatregelen, waar passend, worden gewijzigd.

De Commissie verwerpt de voorgestelde nationale maatregelen uitsluitend indien zij van mening is dat die maatregelen onevenredige negatieve gevolgen zouden hebben voor het geheel of delen van het financiële stelsel in andere lidstaten, of van de Unie als geheel, waardoor zij een belemmering zouden vormen voor de werking van de interne markt of voor het vrije verkeer van kapitaal overeenkomstig het VWEU.

Bij haar beoordeling houdt de Commissie rekening met het advies van de EBA en met de overeenkomstig lid 7 gepresenteerde aanwijzingen.

Vóór het verstrijken van de maatregelen kunnen de bevoegde autoriteiten nieuwe maatregelen voorstellen tot verlenging van de toepassingsperiode telkens met twee jaar. In dat geval stellen zij de Commissie, de Raad, de betrokken bevoegde autoriteiten en de EBA daarvan in kennis. Voor het goedkeuren van de nieuwe maatregelen wordt de in dit artikel vervatte procedure gevolgd. Dit artikel laat artikel 458 onverlet.

Verwijst naar

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen