Art. 383 Verordening (EU) nr. 575/2013, Geavanceerde methode

Verordening (EU) nr. 575/2013

1. Een instelling die toestemming heeft om gebruik te maken van een intern model voor het specifiek risico van schuldinstrumenten overeenkomstig artikel 363, lid 1, punt d), bepaalt voor alle transacties waarvoor zij toestemming heeft om de IMM te gebruiken om de blootstellingswaarde voor de daaraan gerelateerde CCR-blootstelling overeenkomstig artikel 283 te berekenen, de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico door de impact van veranderingen in de creditspreads van de tegenpartijen op de CVA's van alle tegenpartijen van deze transacties te modelleren, rekening houdende met CVA-afdekkingsinstrumenten die in aanmerking komen overeenkomstig artikel 386.

Een instelling maakt gebruik van haar interne model voor het bepalen van de eigenvermogensvereisten voor het specifiek risico in verband met verhandelde schuldposities en past daarbij een betrouwbaarheidsinterval toe van 99 % en een aanhoudingsperiode die overeenkomt met 10 dagen. Het interne model wordt gebruikt om veranderingen in de creditspreads van tegenpartijen te simuleren, maar houdt geen rekening met de gevoeligheid van CVA voor veranderingen in andere marktfactoren, met inbegrip van veranderingen in de waarde van het referentieactivum of de referentiegrondstof, -valuta of –rentevoet van een derivaat.

De eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico voor elke tegenpartij worden berekend volgens de onderstaande formule:

waarbij:

ti

=

het tijdstip van de i-de herwaardering, te beginnen met t0=0;

tT

=

de langste looptijd van een overeenkomst in het samenstel van verrekenbare transacties met de tegenpartij;

si

=

de creditspread van de tegenpartij bij looptijd ti, die wordt gebruikt om de CVA van de tegenpartij te berekenen. Indien de spread voor de kredietverzuimswaps van de tegenpartij voorhanden is, gebruikt een instelling deze spread. Indien de spread voor de kredietverzuimswaps van de tegenpartij niet voorhanden is, gebruikt een instelling een vervangende spread die past bij de rating, sector en regio van de tegenpartij;

LGDMKT

=

het LGD door de tegenpartij, gebaseerd op de spread van een marktinstrument van de tegenpartij indien een instrument van de tegenpartij voorhanden is. Indien er geen instrument van de tegenpartij voorhanden is, wordt dit cijfer gebaseerd op de vervangende spread die past bij de rating, sector en regio van de tegenpartij.

De eerste factor in de som vormt een benadering van de door de markt geïmpliceerde marginale kans op het plaatsvinden van een wanbetaling tussen de tijdstippen ti-1 en ti;

EEi

=

de verwachte blootstelling ten aanzien van de tegenpartij op het herwaarderingstijdstip ti, waarbij de blootstellingen van de verschillende samenstellen van verrekenbare transacties voor die tegenpartij worden samengeteld en waarbij de langste looptijd van elk samenstel van verrekenbare transacties wordt bepaald door de langste looptijd van een overeenkomst in het samenstel van verrekenbare transacties. Een instelling past de in lid 3 vervatte behandeling toe in het geval van door marge gedekte handel indien de instelling de in artikel 285, lid 1, punt a) of punt b), bedoelde EPE-maatstaf voor door marge gedekte transacties gebruikt;

Di

=

de wanbetalingsrisicovrije disconteringsfactor op tijdstip ti, waarbij D0 =1.

2. Bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico voor een tegenpartij baseert een instelling alle inputs in haar interne model voor het specifiek risico van schuldinstrumenten op de volgende formules (naar gelang van het geval):

a) indien het model gebaseerd is op een volledige herprijzing, moet de formule in lid 1 rechtstreeks worden gebruikt;

b) indien het model gebaseerd is op gevoeligheden van de creditspread voor specifieke looptijden, gebruikt een instelling voor elke gevoeligheid van de creditspread ("Regulatory CS01") de volgende formule:

Voor het finale tijdsinterval i=T, luidt de formule als volgt:

c) indien het model gebruik maakt van gevoeligheden van de creditspread voor parallelle veranderingen in creditspreads, gebruikt een instelling de volgende formule:

d) indien het model gebruikt maakt van secundaire gevoeligheden voor veranderingen in creditspreads (spreadgamma), worden de gamma's berekend op basis van de formule in lid 1.

3. Een instelling die gebruik maakt van de EPE-maatstaf voor door zekerheden gedekte otc-derivaten als bedoeld in artikel 285, lid 1, punt a) of punt b), gaat bij het bepalen van de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico overeenkomstig lid 1 als volgt te werk:

a) er wordt uitgegaan van een constant EE-profiel;

b) de EE wordt gelijkgesteld aan de effectieve verwachte blootstelling zoals berekend overeenkomstig artikel 285, lid 1, punt b), voor een looptijd die gelijk is aan de langste van de volgende perioden:

i) de helft van de langste looptijd in het samenstel van verrekenbare transacties;

ii) de notionele gewogen gemiddelde looptijd van alle transacties in het samenstel van verrekenbare transacties.

4. Een instelling die overeenkomstig artikel 283 van de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen om de IMM te gebruiken voor de berekening van de blootstellingswaarden voor het merendeel van haar bedrijfsactiviteiten, maar die voor kleinere portefeuilles gebruik maakt van de in titel II, hoofdstuk 6, afdeling 3, afdeling 4 of afdeling 5, en toestemming heeft om gebruik te maken van het interne model voor het marktrisico voor de berekening van het specifiek risico van schuldinstrumenten overeenkomstig artikel 363, lid 1, onder d), kan, mits de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming hebben verleend, de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico berekenen overeenkomstig lid 1 voor de samenstellen van verrekenbare transacties die niet volgens de IMM worden behandeld. De bevoegde autoriteiten verlenen deze toestemming uitsluitend als de instelling de in titel II, hoofdstuk 6, afdeling 3, afdeling 4 of afdeling 5 beschreven methoden gebruikt voor een beperkt aantal kleinere portefeuilles.

Voor een berekening uit hoofde van de voorgaande alinea waarbij het IMM-model geen EE-profiel oplevert, gaat een instelling te werk volgens beide volgende punten:

a) er wordt uitgegaan van een constant EE-profiel;

b) de EE wordt gelijkgesteld aan de blootstellingswaarde als berekend volgens de in titel II, hoofdstuk 6, afdeling 3, afdeling 4 of afdeling 5 beschreven methoden of volgens de IMM voor een looptijd die gelijk is aan de langste van de volgende perioden:

i) de helft van de langste looptijd in het samenstel van verrekenbare transacties;

ii) de notionele gewogen gemiddelde looptijd van alle transacties in het samenstel van verrekenbare transacties.

5. Een instelling bepaalt de eigenvermogensvereisten voor het CVA-risico overeenkomstig artikel 364, lid 1, en de artikelen 365 en 367 als de som van non-stressed en stressed VaR, die als volgt wordt berekend:

a) voor de non-stressed VaR wordt gebruik gemaakt van de bestaande kalibraties van de parameters voor de verwachte blootstelling, als beschreven in artikel 292, lid 2, eerste alinea;

b) voor de stressed VaR wordt gebruik gemaakt van de toekomstige EE-profielen van de tegenpartijen met behulp van een stresskalibratie als vervat in artikel 292, lid 2, tweede alinea. Als stressperiode voor de parameters van de creditspread wordt de periode van één jaar genomen waarin zich de hevigste spanningen hebben voorgedaan in de loop van de stressperiode van drie jaar die voor de blootstellingsparameters wordt gebruikt;

c) op deze berekeningen is de bij de berekening van op een Value-at-Risk en een stressed Value-at-Risk gebaseerde eigenvermogensvereisten in overeenstemming met artikel 364, lid 1, gebruikte drievoudige vermenigvuldigingsfactor van toepassing. De EBA volgt om redenen van consistentie elke discretionaire bevoegdheid die wordt gebruikt om een hogere vermenigvuldigingsfactor dan die drievoudige vermenigvuldigingsfactor toe te passen op de inputs van Value-at-Risk en stressed Value-at-Risk voor het CVA-vereiste. Bevoegde autoriteiten die een vermenigvuldigingsfactor hoger dan drie toepassen, verstrekken de EBA een schriftelijke verantwoording;

d) de berekening wordt ten minste maandelijks verricht en de gebruikte EE wordt met dezelfde frequentie berekend. Indien een lagere dan een dagelijkse frequentie wordt gehanteerd, nemen de instellingen ten behoeve van de in artikel 364, lid 1, punt a), onder ii), en punt b), onder ii), vermelde berekening het gemiddelde over drie maanden;

6. Voor blootstellingen ten aanzien van een tegenpartij, waarvoor het goedgekeurde interne model van de instelling voor het specifieke risico voor schuldinstrumenten geen vervangende spread oplevert die past bij de criteria rating, sector en regio van de tegenpartij, berekent de instelling het eigenvermogensvereiste voor het CVA-risico op basis van de in artikel 384 vervatte methode.

7. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a) de wijze waarop een vervangende spread dient te worden bepaald door het goedgekeurde interne model van de instelling voor het specifieke risico voor schuldinstrumenten, met het oog op de vaststelling van si en LGDMKT, als bepaald in lid 1;

b) het aantal en de omvang van de portefeuilles waarmee wordt voldaan aan het criterium van een beperkt aantal kleinere portefeuilles als bedoeld in lid 4.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 1 januari 2014 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Vorige artikelen

Volgende artikelen