Art. 29 Richtlijn 2013/30/EU, Externe rampenplannen en de gereedheid bij noodsituaties

Richtlijn 2013/30/EU

1. De lidstaten stellen externe rampenplannen op voor alle offshore olie- en gasinstallaties of hieraan verbonden infrastructuur en potentieel getroffen gebieden binnen hun rechtsgebied. De lidstaten specificeren de rol en de financiële verplichtingen van vergunninghouders en exploitanten bij de externe rampenplannen.

2. De externe rampenplannen worden door de lidstaat opgesteld in samenwerking met de betrokken exploitanten en eigenaars en, in voorkomend geval, vergunninghouders en de bevoegde autoriteit, en houden rekening met de laatste versie van de interne rampenplannen van bestaande of geplande installaties of verbonden infrastructuur in het gebied waarvoor een extern rampenplan geldt. Tevens wordt rekening gehouden met aanpassingen van de interne rampenplannen door de exploitant.

3. De externe rampenplannen worden opgesteld overeenkomstig bijlage VII en ter beschikking gesteld van de Commissie, overige potentieel getroffen lidstaten en het publiek. Bij het ter beschikking stellen van hun externe rampenplannen zorgen de lidstaten ervoor dat de meegedeelde informatie geen risico’s doet ontstaan voor de veiligheid en beveiliging van de offshore olie- en gasinstallaties en de werking ervan, en evenmin schade toebrengt aan de economische belangen van de lidstaten of de persoonlijke veiligheid en het welzijn van functionarissen van de lidstaten.

4. De lidstaten treffen geschikte maatregelen om een hoog niveau van verenigbaarheid en interoperabiliteit van noodapparatuur en knowhow tot stand te brengen tussen alle lidstaten in een geografische streek, en verder indien nodig. De lidstaten moedigen de sector aan om reactieapparatuur en contractueel overeengekomen diensten te ontwikkelen die op elkaar aansluiten en wederzijds toepasbaar zijn in heel de regio.

5. De lidstaten houden overeenkomstig bijlage VIII, punt 1, registers bij van apparatuur en diensten om te reageren op noodsituaties. Deze registers worden ter beschikking gesteld van de overige potentieel getroffen lidstaten en de Commissie, alsook, op basis van wederkerigheid, van aangrenzende derde landen.

6. De lidstaten zorgen er voor dat de exploitanten en eigenaars regelmatig en in nauwe samenwerking met de betrokken autoriteiten van de lidstaten testen of zij er op voorbereid zijn om doeltreffend te reageren op grote ongevallen.

7. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten of, in voorkomend geval, de contactpunten samenwerkingsscenario’s voor noodsituaties opstellen. Deze scenario’s worden regelmatig beoordeeld en indien nodig bijgewerkt.

Vorige artikelen

Volgende artikelen