Art. 52 Verordening (EU) nr. 601/2012, Methode voor de monitoring van emissies van luchtvaartactiviteiten

Verordening (EU) nr. 601/2012

1. Elke vliegtuigexploitant bepaalt de jaarlijkse CO2-emissies van luchtvaartactiviteiten door het jaarlijkse verbruik van elke brandstof, uitgedrukt in ton, te vermenigvuldigen met de respectieve emissiefactor.

2. Elke vliegtuigexploitant bepaalt het brandstofverbruik voor elke vlucht en voor elke brandstof, met inbegrip van de door het hulpaggregaat verbruikte brandstof. Hiervoor gebruikt de vliegtuigexploitant een van de methoden beschreven in bijlage III, punt 1. De vliegtuigexploitant kiest de methode die de meest volledige en actuele gegevens en de kleinste onzekerheid oplevert zonder dat dit leidt tot onredelijk hoge kosten.

3. Elke vliegtuigexploitant bepaalt de hoeveelheid getankte brandstof als bedoeld in bijlage III, punt 1, aan de hand van een van de volgende gegevens:

a) metingen van de brandstofleverancier, zoals gedocumenteerd in de brandstofleveringsnota's of -facturen voor elke vlucht;

b) gegevens uit meetsystemen aan boord van het vliegtuig geregistreerd in de documentatie over massa en zwaartepunt of in het technisch logboek van het vliegtuig of die elektronisch zijn doorgeseind van het vliegtuig naar de vliegtuigexploitant.

4. De vliegtuigexploitant bepaalt de hoeveelheid brandstof in de tank met behulp van gegevens uit meetsystemen aan boord van het vliegtuig en geregistreerd in de documentatie over massa en zwaartepunt of in het technisch logboek van het vliegtuig of seint ze elektronisch door van het vliegtuig naar de vliegtuigexploitant.

5. Vliegtuigexploitanten passen niveau 2 bepaald bijlage III, punt 2, toe.

Vliegtuigexploitanten die over de handelsperiode direct voorafgaand aan de huidige handelsperiode gemiddelde jaarlijkse emissies van ten hoogste 50 000 ton fossiel CO2 hebben gerapporteerd, mogen echter minimaal niveau 1, zoals vastgesteld in bijlage III, punt 2, toepassen. Alle vliegtuigexploitanten mogen minimaal niveau 1 zoals vastgesteld in bijlage III, punt 2, toepassen voor bronstromen die samen overeenkomen met minder dan 5 000 ton fossiel CO2 per jaar of minder dan 10 %, tot een maximumbijdrage van 100 000 ton fossiel CO2 per jaar, afhankelijk van wat het hoogst is in termen van absolute waarde. Als voor de toepassing van deze alinea gerapporteerde emissies niet beschikbaar of niet meer van toepassing zijn, mag de vliegtuigexploitant een conservatieve schatting of prognose gebruiken ter bepaling van de gemiddelde jaarlijkse emissies.

6. Als de hoeveelheid getankte brandstof of de in de tanks resterende hoeveelheid brandstof wordt bepaald in volume-eenheden, uitgedrukt in liter, rekent de vliegtuigexploitant die hoeveelheid om van volume naar massa aan de hand van de reële dichtheidswaarden. De vliegtuigexploitant bepaalt de reële dichtheid met behulp van een van de volgende methoden:

a) meetsystemen aan boord van het vliegtuig;

b) de dichtheid die door de brandstofleverancier bij het tanken van de brandstof wordt gemeten en op de brandstoffactuur of leveringsnota wordt geregistreerd.

De reële dichtheid wordt uitgedrukt in kg/liter en bepaald bij de temperatuur die voor de meting in kwestie relevant is.

Wanneer geen reële waarden beschikbaar zijn, wordt een standaarddichtheidswaarde van 0,8 kg/liter toegepast na goedkeuring door de bevoegde autoriteit.

7. Voor de berekening bedoeld in lid 1 gebruikt de vliegtuigexploitant de standaardemissiefactoren uit tabel 2 in bijlage III.

Ten behoeve van de rapportage wordt dat als een methode van niveau 1 aangemerkt. Voor brandstoffen die niet zijn opgenomen in de tabel bepaalt de vliegtuigexploitant de emissiefactor in overeenstemming met de in artikel 32 beschreven methode, die wordt aangemerkt als een methode van niveau 2. Voor deze brandstoffen wordt de calorische onderwaarde bepaald en pro memorie gerapporteerd.

8. In afwijking van lid 7 mag de vliegtuigexploitant na goedkeuring door de bevoegde autoriteit, voor in de handel verkrijgbare brandstoffen de emissiefactor of het koolstofgehalte waarop deze is gebaseerd, of de calorische onderwaarde ontlenen aan de door de brandstofleverancier voor de betrokken brandstof afgegeven aankoopbescheiden, voor zover die waarden zijn verkregen aan de hand van internationaal aanvaarde normen en geen emissiefactoren uit tabel 2 van bijlage III kunnen worden toegepast.

Vorige artikelen

Volgende artikelen