Art. 38 Verordening (EU) nr. 601/2012, Biomassabronstromen

Verordening (EU) nr. 601/2012

1. De exploitant mag de activiteitsgegevens van biomassabronstromen bepalen zonder gebruik van niveaus en zonder analytische bewijzen van het biomassagehalte over te leggen, als die bronstroom uitsluitend bestaat uit biomassa en de exploitant kan waarborgen dat de biomassa niet is verontreinigd met andere materialen of brandstoffen.

2. De emissiefactor van biomassa is nul.

De emissiefactor van een gemengde brandstof of van gemengd materiaal wordt berekend en gerapporteerd als de voorlopige emissiefactor die is bepaald in overeenstemming met artikel 30, vermenigvuldigd met de fossiele fractie van de brandstof of het materiaal.

3. Turf, xyliet en fossiele fracties van gemengde brandstoffen of materialen worden niet als biomassa beschouwd.

4. Indien de biomassafractie van gemengde brandstoffen of materialen minstens gelijk is aan 97 %, of indien door de hoeveelheid emissies van fossiele fractie van de brandstof of het materiaal deze in aanmerking komt als een de-minimisbronstroom, kan de bevoegde autoriteit de exploitant toestaan niet op niveaus gebaseerde methoden te gebruiken, met inbegrip van de energiebalansmethode, voor het bepalen van de activiteitsgegevens en de relevante berekeningsfactoren, tenzij de aldus bepaalde waarde wordt gebruikt om van de door continue emissiemeting bepaalde emissies het van biomassa afkomstige CO2 af te trekken.

Vorige artikelen

Volgende artikelen