Art. 3 Richtlijn 2012/27/EU, Energie-efficiëntiestreefcijfers

Richtlijn 2012/27/EU

1. Elke lidstaat stelt een indicatief nationaal energie-efficiëntiestreefcijfer vast, op basis van primair verbruik of eindverbruik van energie, van besparing van primaire energie of finale energiegebruik, dan wel van energie-intensiteit. De lidstaten delen deze streefcijfers overeenkomstig artikel 24, lid 1, en bijlage XIV, deel 1, aan de Commissie mee en drukken deze tevens uit als een absoluut niveau van primair energieverbruik en eindenergieverbruik in 2020; zij leggen daarbij uit hoe en op basis van welke gegevens dit is berekend.

Bij het bepalen van deze streefcijfers houden zij rekening met het volgende:

a) het energieverbruik van de Unie mag in 2020 niet meer bedragen dan 1 474 Mtoe primaire energie of niet meer dan 1 078 Mtoe finale energie;

b) de in deze richtlijn vastgelegde maatregelen;

c) de maatregelen die zijn vastgesteld om de nationale energiebesparingsstreefwaarden te bereiken overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2006/32/EG, en

d) andere maatregelen om energie-efficiëntie binnen de lidstaten en op Unieniveau te bevorderen.

Bij het vaststellen van die streefcijfers kunnen de lidstaten ook rekening houden met nationale omstandigheden die het primaire energieverbruik beïnvloeden, zoals:

a) het resterende kosteneffectieve energiebesparingspotentieel;

b) de ontwikkeling en de voorspelling van het bbp;

c) de wijzigingen van energie-invoer en -uitvoer;

d) de ontwikkeling van alle bronnen hernieuwbare energie, kernenergie, het afvangen en opslaan van kooldioxide, en

e) vroegtijdige maatregelen.

2. Uiterlijk op 30 juni 2014 beoordeelt de Commissie de bereikte vooruitgang en berekent zij de kans dat de Unie in 2020 een energieverbruik van niet meer dan 1 474 Mtoe primaire energie en/of niet meer dan 1 078 Mtoe finale energie heeft.

3. Bij het uitvoeren van de in de lid 2 bedoelde beoordeling gaat de Commissie als volgt te werk:

a) zij telt de nationale indicatieve energie-efficiëntiestreefcijfers die door de lidstaten zijn gemeld, op;

b) zij gaat na of de som van die streefcijfers als een betrouwbare leidraad kan worden beschouwd om te beoordelen of Unie als geheel op schema ligt, en houdt daarbij rekening met de evaluatie van het eerste jaarverslag overeenkomstig artikel 24, lid 1, en met de evaluatie van de nationale actieplannen inzake energie-efficiëntie, overeenkomstig artikel 24, lid 2;

c) zij houdt rekening met aanvullende analyse die voortvloeit uit:

i) een beoordeling van de vooruitgang op het vlak van energieverbruik en van energieverbruik in verhouding tot de economische activiteit op Unieniveau, waaronder de vooruitgang in verband met de efficiëntie in de energievoorziening in de lidstaten die hun nationale indicatieve streefcijfers hebben gebaseerd op eindenergieverbruik of de totale energiebesparing, inclusief de vooruitgang tengevolge van de naleving door die lidstaten van hoofdstuk III van deze richtlijn;

ii) de resultaten van modelberekeningen betreffende toekomstige ontwikkelingen in energieverbruik op Unieniveau;

d) zij vergelijkt de resultaten onder a) tot en met c) met de hoeveelheid energieverbruik die nodig is om in 2020 een energieverbruik van niet meer dan 1 474 Mtoe primaire energie en/of niet meer dan 1 078 Mtoe finale energie te halen.

Verwijst naar

Artikelen die hiernaar verwijzen

Vorige artikelen

Volgende artikelen