Art. 6 Verordening (EU) 2018/1999, Het proces van de lidstaten om bijdragen op het gebied van energie-efficiëntie vast te stellen
1. In het kader van zijn indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdrage voor 2030 en voor het laatste jaar van de verslagperiode voor de latere nationale plannen in de zin van artikel 4, onder b), punt 1, houdt elke lidstaat er rekening mee dat het energieverbruik van de Unie in 2020, overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 2012/27/EU, niet meer mag bedragen dan 1 483 Mtoe primaire energie of niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie, en dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer mag bedragen dan 1 273 Mtoe primaire energie en/of niet meer dan 956 Mtoe eindenergie.
Bovendien houdt elke lidstaat rekening met:
a) de in Richtlijn 2012/27/EU bedoelde maatregelen;
b) andere maatregelen om energie-efficiëntie binnen de lidstaat en op Unieniveau te bevorderen.
2. In het kader van zijn in lid 1 bedoelde bijdrage kan elke lidstaat rekening houden met nationale omstandigheden die een invloed hebben op het primaire en het eindverbruik van energie, zoals:
a) het resterende kosteneffectieve energiebesparingspotentieel;
b) de ontwikkeling en de prognose van het bruto binnenlands product;
c) wijzigingen in de in- en uitvoer van energie;
d) wijzigingen in de energiemix en de ontwikkeling van het afvangen en opslaan van kooldioxide, en
e) vroegtijdige maatregelen.
Wat de eerste alinea betreft, vermeldt elke lidstaat in zijn geïntegreerd nationaal energie- en klimaatplan met welke eventuele relevante omstandigheden die van invloed zijn op het primaire en het eindverbruik van energie hij rekening heeft gehouden.