Art. 16 Verordening (EU) nr. 1227/2011, Samenwerking op Unie- en nationaal niveau
Verordening (EU) nr. 1227/2011
1. Het Agentschap tracht ervoor te zorgen dat de nationale regulerende instanties hun uit deze verordening voortvloeiende taken op een gecoördineerde en consistente wijze vervullen.
Het Agentschap publiceert waar passend niet-bindende richtsnoeren over de toepassing van de definities van artikel 2.
De nationale regulerende instanties werken onderling en met het Agentschap samen, waaronder op regionaal niveau, om hun taken overeenkomstig deze verordening te vervullen.
Nationale regulerende instanties, bevoegde financiële autoriteiten en de nationale mededingingsautoriteit van een lidstaat kunnen passende vormen van samenwerking aangaan om doeltreffend en efficiënt onderzoek en handhaving te waarborgen en bij te dragen aan een coherente en consistente benadering van onderzoek en gerechtelijke procedures, alsmede aan de handhaving van de verordening en de relevante financiële en mededingingswetgeving.
2. Wanneer de nationale regulerende instanties redelijke vermoedens hebben dat in hun lidstaat of in een andere lidstaat handelingen worden of zijn uitgevoerd die in strijd zijn met deze verordening, verstrekken zij het Agentschap daarover onverwijld zo specifiek mogelijke informatie.
Wanneer een nationale regulerende instantie vermoedt dat in een andere lidstaat handelingen worden uitgevoerd die van invloed zijn op de groothandelsmarkten voor energie of op de prijs van voor de groothandel bestemde energieproducten in de lidstaat van de instantie, kan zij het Agentschap verzoeken maatregelen te treffen overeenkomstig lid 4 van dit artikel en, indien de handelingen gevolgen hebben voor financiële instrumenten waarop artikel 9 van Richtlijn 2003/6/EG van toepassing is, overeenkomstig lid 3 van dit artikel.
3. Teneinde ervoor te zorgen dat marktmisbruik op groothandelsmarkten voor energie op een gecoördineerde en consistente wijze wordt aangepakt:
a) stellen de nationale regulerende instanties de bevoegde financiële autoriteit van hun lidstaat en het Agentschap in kennis van redelijke vermoedens dat op groothandelsmarkten voor energie handelingen worden of zijn uitgevoerd die als marktmisbruik worden beschouwd in de zin van Richtlijn 2003/6/EG en die gevolgen hebben voor financiële instrumenten die onder artikel 9 van genoemde richtlijn vallen; hiertoe kunnen de nationale regulerende instanties passende vormen van samenwerking aangaan met de bevoegde financiële autoriteit in hun lidstaat;
b) stelt het Agentschap ESMA en de bevoegde financiële autoriteit in kennis van redelijke vermoedens dat op groothandelsmarkten voor energie handelingen worden of zijn uitgevoerd die als marktmisbruik worden beschouwd in de zin van Richtlijn 2003/6/EG en die gevolgen hebben voor financiële instrumenten die onder artikel 9 van genoemde richtlijn vallen;
c) stelt de bevoegde financiële autoriteit van een lidstaat de ESMA en het Agentschap in kennis van redelijke vermoedens dat in een andere lidstaat op de groothandelsmarkten voor energie handelingen worden of zijn uitgevoerd die in strijd zijn met de artikelen 3 en 5;
d) stellen nationale regulerende instanties de nationale mededingingsautoriteit van hun lidstaat, de Commissie en het Agentschap in kennis van redelijke vermoedens dat op de groothandelsmarkt voor energie handelingen worden of zijn uitgevoerd die waarschijnlijk een schending van het mededingingsrecht inhouden.
4. Teneinde de in lid 1 vastgestelde taken te kunnen vervullen, is het Agentschap, wanneer het onder andere op basis van een eerste beoordeling of analyse vermoedt dat de bepalingen van deze verordening zijn geschonden gemachtigd om:
a) één of meer nationale regulerende instanties te verzoeken informatie over de desbetreffende inbreuk te verstrekken;
b) één of meer nationale regulerende instanties te verzoeken een onderzoek naar de vermoede inbreuk in te stellen en passende maatregelen te treffen om een vastgestelde inbreuk ongedaan te maken. Het nemen van beslissingen met betrekking tot passende maatregelen om een vastgestelde inbreuk ongedaan te maken valt binnen de bevoegdheid van de betreffende nationale regulerende instantie;
c) een onderzoeksgroep van vertegenwoordigers van de betrokken nationale regulerende instanties in te stellen en te coördineren, indien het van mening is dat de mogelijke inbreuk grensoverschrijdende gevolgen heeft of heeft gehad, met als doel na te gaan of er sprake is van een inbreuk op de onderhavige verordening en in welke lidstaat de inbreuk heeft plaatsgevonden. Wanneer passend kan het Agentschap ook verzoeken om vertegenwoordigers van de bevoegde financiële autoriteit of andere betrokken instanties van één of meer lidstaten in de onderzoeksgroep op te nemen.
5. Een nationale regulerende instantie die een informatieverzoek ontvangt overeenkomstig lid 4, onder a), dan wel een verzoek om een onderzoek in te stellen naar een vermoede inbreuk overeenkomstig lid 4, onder b), nemen onmiddellijk de nodige maatregelen om aan dat verzoek gevolg te geven. Wanneer die nationale regulerende instantie niet onmiddellijk de nodige informatie kan verstrekken, stelt zij het Agentschap onverwijld van de redenen hiervan in kennis.
In uitzondering op de eerste alinea, kan een nationale regulerende instantie weigeren gevolg te geven aan een verzoek als hierboven bedoeld indien:
a) het geven van gevolg aan het verzoek de soevereiniteit of de veiligheid van de aangezochte lidstaat nadelig zou kunnen beïnvloeden;
b) voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen reeds een gerechtelijke procedure is ingeleid bij de autoriteiten van de aangezochte lidstaat, of
c) voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen in de aangezochte lidstaat reeds een definitieve uitspraak is gedaan.
In dat geval stelt de nationale regulerende instantie het Agentschap daarvan in kennis, waarbij zij zo gedetailleerd mogelijke informatie verstrekken over de procedure of uitspraak in kwestie.
De nationale regulerende instanties nemen deel aan onderzoeksgroepen die worden bijeengeroepen overeenkomstig lid 4, onder c), en verlenen daarbij alle nodige bijstand. De onderzoeksgroep wordt gecoördineerd door het Agentschap.
6. De laatste zin van artikel 15, lid 1, van Verordening (EG) nr. 713/2009 is niet van toepassing op het Agentschap wanneer dit zijn taken overeenkomstig de onderhavige verordening uitvoert.