Art. 90 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, Voorwaarden inzake de steun voor de administratieve kosten van de oprichting van onderlinge fondsen

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011

1. De lidstaten stellen uitvoeringsbepalingen vast betreffende de steun voor de administratieve kosten van de oprichting van onderlinge fondsen.

2. De steun voor de administratieve kosten van de oprichting van onderlinge fondsen omvat zowel de bijdrage van de Unie als die van de producentenorganisatie. Het totale bedrag van de steun voor de administratieve kosten van de oprichting van onderlinge fondsen bedraagt tijdens respectievelijk het eerste, het tweede en het derde jaar van de werking van het onderlinge fonds, een deel van de bijdrage van de producentenorganisatie in het onderlinge fonds ten belope van maximaal:

a) respectievelijk 10 %, 8 % en 4 % in de lidstaten die op 1 mei 2004 of later tot de Europese Unie zijn toegetreden;

b) respectievelijk 5 %, 4 % en 2 % in de andere lidstaten.

3. Een producentenorganisaties mag de in lid 2 bedoelde steun slechts één keer en uitsluitend in de loop van de eerste drie jaar van de werking van het fonds ontvangen. Als een producentenorganisatie slechts in het tweede of het derde jaar van de werking van het fonds steun aanvraagt, bedraagt de steun:

a) respectievelijk 8 % en 4 % in de lidstaten die op 1 mei 2004 of later tot de Europese Unie zijn toegetreden;

b) respectievelijk 4 % en 2 % in de andere lidstaten.

4. De lidstaten mogen maxima vaststellen voor de bedragen die een producentenorganisatie mag ontvangen als steun voor de administratieve kosten van de oprichting van onderlinge fondsen.