Art. 51 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, Referentieperiode

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011

1. Het in artikel 103 quinquies, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde jaarlijkse maximum van de steun wordt elk jaar berekend op basis van de waarde van de productie die in een door de lidstaten vast te stellen referentieperiode van 12 maanden is afgezet.

2. De referentieperiode wordt door de lidstaten voor elke producentenorganisatie vastgesteld als:

a) een periode van 12 maanden die niet eerder begint dan op 1 januari drie jaar voor het jaar waarvoor de steun wordt aangevraagd, en uiterlijk afloopt op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor de steun wordt aangevraagd, of

b) de gemiddelde waarde over drie opeenvolgende perioden van 12 maanden die niet eerder beginnen dan op 1 januari vijf jaar voor het jaar waarvoor de steun wordt aangevraagd, en uiterlijk afloopt op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor de steun wordt aangevraagd.

3. De periode van 12 maanden is het boekjaar van de betrokken producentenorganisatie.

De methode voor de vaststelling van de referentieperiode mag gedurende de looptijd van een operationeel programma niet worden gewijzigd, tenzij daarvoor gegronde redenen worden aangevoerd.

4. Indien de waarde van een product met ten minste 35 % is gedaald om redenen die buiten de verantwoordelijkheid en de controle van de producentenorganisatie vallen, wordt ervan uitgegaan dat de waarde van de afgezette productie van dat product 65 % van de waarde van het betrokken product in de vorige referentieperiode bedraagt.

De producentenorganisatie licht de in de eerste alinea bedoelde redenen toe ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat.

5. Wanneer recentelijk erkende producentenorganisaties voor de toepassing van lid 2 over onvoldoende historische gegevens betreffende de afgezette productie beschikken, kan de waarde van de afzetbare productie die de producentenorganisatie met het oog op haar erkenning heeft opgegeven, worden beschouwd als waarde van de afgezette productie.

De eerste alinea is van overeenkomstige toepassing op nieuwe leden van een producentenorganisatie die zich voor het eerst bij een producentenorganisatie aansluiten.

6. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om gegevens te verzamelen over de waarde van de afgezette productie van producentenorganisaties die geen operationeel programma hebben ingediend.

7. In afwijking van de leden 1 en 6 wordt de waarde van de afgezette productie voor de referentieperiode berekend conform de in die referentieperiode geldende wetgeving.

Voor uiterlijk op 20 januari 2010 goedgekeurde operationele programma's echter wordt de waarde van de afgezette productie voor de jaren tot en met 2007 berekend op basis van de in de referentieperiode geldende wetgeving, terwijl de waarde van de afgezette productie voor de jaren vanaf 2008 wordt berekend op basis van de in 2008 geldende wetgeving.

Voor operationele programma's die zijn goedgekeurd na 20 januari 2010, wordt de waarde van de afgezette productie voor de jaren vanaf 2008 berekend op basis van de bij de goedkeuring van het operationele programma geldende wetgeving.