Art. 10
1. Voor de toepassing van de artikelen 44 en 45 van Richtlijn 2006/112/EG wordt onder de plaats waar een belastingplichtige de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd, de plaats verstaan waar de centrale bestuurstaken van het bedrijf worden uitgeoefend.
2. Om te bepalen waar de in lid 1 bedoelde plaats gelegen is, wordt rekening gehouden met de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van het bedrijf worden genomen, de plaats van de statutaire zetel van het bedrijf en de plaats waar de bestuurders van het bedrijf bijeenkomen.
Wanneer op grond van deze criteria niet met zekerheid kan worden bepaald waar de zetel van de bedrijfsuitoefening van een bedrijf is gevestigd, is de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van het bedrijf worden genomen het doorslaggevende criterium.
3. Het enkele bestaan van een postadres is ontoereikend om dat adres aan te merken als de plaats van de zetel van de bedrijfsuitoefening van een belastingplichtige.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G VAN HILTEN 22 februari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BW5440
- Rb. Zeeland-West-Brabant 16 februari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:638
- Rb. Gelderland 24 februari 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:1285
- Conclusie A-G VAN HILTEN 8 maart 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BW5414
- Conclusie A-G VAN HILTEN 8 maart 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BW5410
- Conclusie A-G VAN HILTEN 8 maart 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BW5395
- Conclusie A-G VAN HILTEN 8 maart 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BW5378
- Hof Arnhem-Leeuwarden 3 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7089