Art. 19 Besluit 2010/413/EU
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om binnenkomst op of doorreis via hun grondgebied te beletten van:
a) personen die op de lijst staan van de bijlage bij VNVR-Resolutie 1737 (2006), en bijkomende personen die door de Veiligheidsraad of het Comité overeenkomstig punt 10 van VNVR-Resolutie 1737 (2006) op een lijst zijn geplaatst, alsmede leden van de Islamitische Revolutionaire Garde die door de Veiligheidsraad of het Comité zijn aangewezen, als vermeld in bijlage I;
b) andere, niet onder bijlage I vallende personen en entiteiten, die zich bezighouden met, rechtstreeks betrokken zijn bij, dan wel steun verlenen voor proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran of de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens, mede doordat zij betrokken zijn bij de aanschaf van voorwerpen, goederen, uitrusting, materialen en technologie waarvoor een verbod geldt, personen die namens hen of op hun aanwijzing handelen, of personen die op een lijst geplaatste personen of entiteiten hebben geholpen om de bepalingen van VNVR-Resoluties 1737 (2006), 1747 (2007), 1803 (2008) en 1929 (2010) of dit besluit te ontwijken of te overtreden alsmede andere hooggeplaatste leden van de Islamitische Revolutionaire Garde, als vermeld in bijlage II.
2. De verbodsbepaling in lid 1 geldt niet voor de doorreis via het grondgebied van de lidstaten, met het oog op activiteiten die rechtstreeks verband houden met de voorwerpen vermeld in VNVR-Resolutie 1737 (2006), punt 3, onder b), punten i) en ii), voor lichtwaterreactoren waarmee vóór december 2006 is begonnen.
3. Lid 1 houdt niet in dat de lidstaten verplicht zijn hun eigen onderdanen de toegang tot het grondgebied te ontzeggen.
4. Lid 1 laat de gevallen onverlet waarin lidstaten uit hoofde van het internationale recht gebonden zijn, en wel:
i) als gastland van een internationale intergouvernementele organisatie;
ii) als gastland van een internationale conferentie die is bijeengeroepen door, of plaatsvindt onder auspiciën van de Verenigde Naties; of
iii) krachtens een multilaterale overeenkomst die voorrechten en immuniteiten verleent;
iv) krachtens het Concordaat (Verdrag van Lateranen) van 1929 dat werd gesloten tussen de Heilige Stoel (Vaticaanstad) en Italië.
5. Lid 4 is ook van toepassing op gevallen waarin een lidstaat optreedt als gastland van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).
6. De Raad wordt naar behoren geïnformeerd over alle gevallen waarin een lidstaat krachtens lid 4 of lid 5 een ontheffing verleent.
7. De lidstaten kunnen ontheffing voor het nemen van de krachtens lid 1 opgelegde maatregelen verlenen indien zij van oordeel zijn dat een reis gerechtvaardigd is op grond van:
i) dringende humanitaire noden, met inbegrip van religieuze verplichtingen;
ii) de noodzaak te voldoen aan de doelstellingen van VNVR-Resoluties 1737 (2006) en 1929 (2010), ook wanneer artikel XV van het statuut van de IAEA in het geding is;
iii) het bijwonen van vergaderingen van intergouvernementele instanties, met inbegrip van door de Unie geïnitieerde vergaderingen, of vergaderingen waarvoor een lidstaat als fungerend voorzitter van de OVSE als gastheer optreedt, wanneer een politieke dialoog wordt gevoerd waarbij de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat in Iran rechtstreeks worden bevorderd.
8. Een lidstaat die de in lid 7 bedoelde ontheffingen wil verlenen, brengt zulks schriftelijk ter kennis van de Raad. De ontheffing wordt geacht te zijn toegestaan, tenzij één of meer leden van de Raad binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving van de voorgestelde ontheffing, schriftelijk bezwaar maken. Indien één of meer leden van de Raad bezwaar maken, kan de Raad met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten de voorgestelde ontheffing te verlenen.
9. Wanneer een lidstaat krachtens de leden 4, 5, en 7 een machtiging verleent tot binnenkomst op of doorreis via zijn grondgebied van in bijlage I of bijlage II vermelde personen, dan geldt deze machtiging uitsluitend voor het doel waarvoor ze is verleend en voor de daarbij betrokken personen.
10. Indien ontheffing is verleend, stellen de lidstaten het Comité in kennis van de binnenkomst op of de doorreis over hun grondgebied van de in bijlage I vermelde personen.