Art. 15 Besluit 2010/413/EU
1. De lidstaten inspecteren op hun grondgebied, met inbegrip van zee- en luchthavens, in overleg met hun nationale autoriteiten en in overeenstemming met hun nationale wetgeving en het internationale recht, in het bijzonder het zeerecht en de toepasselijke internationale burgerluchtvaartovereenkomsten, alle vracht naar en van Iran indien zij over informatie beschikken op grond waarvan een redelijk vermoeden bestaat dat de vracht voorwerpen omvat waarvan de levering, verkoop, overdracht of uitvoer krachtens dit besluit verboden is.
2. De lidstaten kunnen conform het internationale recht, in het bijzonder het zeerecht, verlangen dat schepen in volle zee, met toestemming van de vlaggenstaat, worden geïnspecteerd indien zij over informatie beschikken op grond waarvan een redelijk vermoeden bestaat dat deze schepen voorwerpen vervoeren waarvan de levering, verkoop, overdracht of uitvoer krachtens dit besluit verboden is.
3. De lidstaten werken, overeenkomstig hun nationale wetgeving, samen bij de inspecties ondernomen uit hoofde van lid 2.
4. Ten aanzien van vliegtuigen en schepen die vracht naar en van Iran vervoeren, wordt van alle goederen die een lidstaat binnenkomen of verlaten, vóór de aankomst of het vertrek een additionele aangifte gedaan.
5. Wanneer de in de leden 1 of 2 bedoelde inspectie wordt uitgevoerd, confisqueren de lidstaten voorwerpen waarvan de levering, verkoop, overdracht of uitvoer krachtens dit besluit in overeenstemming met punt 16 van VNVR-Resolutie 1929 (2010) verboden is, en vernietigen zij deze (onder meer door gehele vernietiging, onbruikbaarmaking, opslag of overdracht naar een andere staat dan de staat van herkomst of bestemming om daar te worden vernietigd). Die confiscatie en vernietiging geschieden voor rekening van de importeur; indien het niet mogelijk is de kosten op de importeur te verhalen kunnen zij overeenkomstig het nationaal recht worden ingevorderd van eenieder die aansprakelijk is voor de poging tot illegale verkoop, levering, overdracht of uitvoer.
6. De verlening van bunker- of leveringsdiensten of van andere diensten aan schepen in Iraans bezit of onder Iraans contract, met inbegrip van gecharterde schepen, door onderdanen van de lidstaten of vanuit gebieden onder de rechtsmacht van de lidstaten is verboden indien de dienstverleners beschikken over informatie op grond waarvan een redelijk vermoeden bestaat dat deze schepen voorwerpen vervoeren waarvan de levering, verkoop, overbrenging of uitvoer krachtens dit besluit verboden is, tenzij het verlenen van dergelijke diensten nodig is voor humanitaire doeleinden of totdat de vracht is geïnspecteerd, en zo nodig is geconfisqueerd en vernietigd, overeenkomstig de leden 1, 2 en 5.