Art. 30 Verordening (EG) nr. 1122/2009, Controlepercentage

Verordening (EG) nr. 1122/2009

1. Het totale aantal controles ter plaatse dat elk jaar wordt uitgevoerd, betreft ten minste 5 % van alle landbouwers die een aanvraag indienen voor de bedrijfstoeslagregeling, de regeling inzake een enkele areaalbetaling of oppervlaktegebonden betalingen in het kader van specifieke steun. De lidstaten zorgen ervoor dat de controles ter plaatse ten minste 3 % betreffen van de landbouwers die steun aanvragen in het kader van elk van de andere oppervlaktegebonden steunregelingen die zijn ingesteld bij de titels III, IV en V van Verordening (EG) nr. 73/2009.

2. Het totale aantal controles ter plaatse dat elk jaar wordt uitgevoerd, betreft ten minste:

a) het in artikel 39 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde minimum van 30 % of 20 % van de voor de productie van hennep aangegeven arealen.

Indien de lidstaat voor deze teelt reeds een systeem van voorafgaande teeltvergunningen heeft ingevoerd en de Commissie reeds vóór de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 796/2004 in kennis heeft gesteld van zijn uitvoeringsbepalingen en voorwaarden met betrekking tot dat systeem, worden alle wijzigingen van die uitvoeringsbepalingen of voorwaarden binnen een redelijke termijn aan de Commissie meegedeeld;

b) 5 % van alle landbouwers die steun aanvragen in het kader van de steunregelingen voor rundvee, veebetalingen of grootvee-eenhedenbetalingen voor runderen in het kader van specifieke steun of specifieke steun op basis van het individuele melkquotum dat overeenkomstig artikel 65 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is vastgesteld, of specifieke steun op basis van de werkelijke melkproductie. Indien het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen echter niet de mate van zekerheid en implementatie biedt die nodig is voor een goed beheer van de betrokken steunregelingen, dan wordt dit percentage verhoogd tot 10 %.

Voor elk van de steunregelingen betreffen de controles ter plaatse ook ten minste 5 % van alle dieren waarvoor steun wordt aangevraagd;

c) 5 % van alle landbouwers die steun aanvragen in het kader van de steunregeling voor schapen en geiten en veebetalingen of grootvee-eenhedenbetalingen voor schapen en geiten in het kader van specifieke steun. Die controles ter plaatse betreffen ook ten minste 5 % van alle dieren waarvoor steun wordt aangevraagd. Indien het in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 21/2004 bedoelde geautomatiseerde gegevensbestand voor schapen en geiten echter niet de mate van zekerheid en implementatie biedt die nodig is voor een goed beheer van de betrokken steunregelingen, dan wordt dit percentage verhoogd tot 10 % van de landbouwers;

d) 10 % van alle andere dan de in lid 1 en in de punten b) en c) van het onderhavige lid bedoelde landbouwers die een aanvraag indienen voor specifieke steun, met uitzondering van de in artikel 68, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde maatregel;

e) 10 % van de andere diensten, instanties of organisaties die bewijsmateriaal leveren op basis waarvan wordt nagegaan of aan de subsidiabiliteitscriteria is voldaan, zulks als bedoeld in artikel 29, lid 2;

f) 100 % van de onderlinge fondsen die steun aanvragen, als bedoeld in artikel 68, lid 1, onder e), van Verordening (EG) nr. 73/2009;

g) wat de aanvragen om de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 6, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde gewasspecifieke betaling voor katoen betreft, 20 % van de brancheorganisaties die overeenkomstig artikel 91 van die verordening zijn erkend en waarvoor landbouwers in hun verzamelaanvraag verklaren er lid van te zijn;

h) wat de aanvragen om de in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 7, van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde steun voor telers van suikerbieten en suikerriet betreft, in het kader van de controles bij de suikerfabrikanten op de hoeveelheid quotumsuiker die is verkregen uit overeenkomstig artikel 94 van die verordening geleverde suikerbieten of geleverd suikerriet, ten minste 5 % van de aanvragers die aan de betrokken fabrikant hebben geleverd.

3. Indien bij de controles ter plaatse belangrijke onregelmatigheden met betrekking tot een bepaalde steunregeling of in een regio of deelregio worden vastgesteld, verricht de bevoegde autoriteit in het lopende jaar de nodige extra controles ter plaatse en verhoogt zij dienovereenkomstig het percentage landbouwers bij wie in het volgende jaar een controle ter plaatse moet worden verricht.

4. Indien is bepaald dat bepaalde onderdelen van een controle ter plaatse op basis van een steekproef mogen worden uitgevoerd, moet die steekproef een controleniveau garanderen dat betrouwbare en representatieve resultaten oplevert. De lidstaten stellen de criteria voor de selectie van de steekproef vast. Indien de controle van de steekproef onregelmatigheden aan het licht brengt, worden de omvang en de basis van de steekproef dienovereenkomstig uitgebreid.

Uitspraken die dit artikel aanhalen