Art. 3 Verordening (EG) nr. 1120/2009, Feitelijke en verwachte vererving

Verordening (EG) nr. 1120/2009

1. Indien een feitelijke of verwachte vererving van invloed is op de toewijzing van toeslagrechten, verzoekt de landbouwer die het bedrijf of het deel van een bedrijf heeft ontvangen, in zijn naam om berekening van de toeslagrechten voor dat bedrijf of dat deel van een bedrijf.

Het referentiebedrag wordt vastgesteld op basis van de geërfde productie-eenheden.

2. In gevallen van herroepbare verwachte vererving kan de aangewezen erfgenaam slechts eenmaal, uiterlijk op de datum voor indiening van een aanvraag tot betaling in het kader van de bedrijfstoeslagregeling, toegang krijgen tot de bedrijfstoeslagregeling.

Gevallen waarin sprake is van overdracht in het kader van een huurcontract of van feitelijke of verwachte vererving van een landbouwer die een natuurlijke persoon is en tijdens de desbetreffende referentieperiode een bedrijf of een deel ervan huurde, wat recht zou geven op toeslagrechten of op een verhoging van de waarde van toeslagrechten, worden op dezelfde manier behandeld als vererving van een bedrijf.

3. Indien een landbouwer als bedoeld in lid 1 reeds recht heeft op toeslagrechten of op een verhoging van de waarde van toeslagrechten, wordt het referentiebedrag vastgesteld op basis van, respectievelijk, de som van de referentiebedragen die verband houden met zijn oorspronkelijke bedrijf, en de geërfde productie-eenheden.

4. Voor de toepassing van deze verordening wordt uitgegaan van de definitie in de nationale wetgeving van „feitelijke vererving” en van „verwachte vererving”.