Art. 14 Verordening (EG) nr. 1120/2009, Berekening van grootvee-eenheden voor bijzondere toeslagrechten

Verordening (EG) nr. 1120/2009

1. Voor de toepassing van artikel 44, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 zijn de tijdens de referentieperiode uitgeoefende en in grootvee-eenheden (GVE) uitgedrukte landbouwactiviteiten die welke overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EG) nr. 795/2004 zijn berekend.

2. Voor de toepassing van artikel 65 van Verordening (EG) nr. 73/2009 en voor de berekening van de gedurende de toepassing van de artikelen 67 en 68 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 uitgeoefende en in GVE uitgedrukte landbouwactiviteiten, als bedoeld in artikel 44, lid 2, onder c), van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt de volgende omrekeningstabel toegepast op het gemiddelde aantal dieren dat is vastgesteld met het oog op de verlening van een in de artikelen 67 en 68 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde rechtstreekse betaling in de desbetreffende referentieperiode:

Mannelijke runderen en vaarzen ouder dan 24 maanden, zoogkoeien, melkkoeien

1,0 GVE

Mannelijke runderen en vaarzen van zes maanden tot 24 maanden

0,6 GVE

Mannelijke en vrouwelijke runderen van minder dan zes maanden

0,2 GVE

Schapen

0,15 GVE

Geiten

0,15 GVE

Gaat het om de slachtpremie en zijn de vereiste gegevens over de leeftijd van de dieren niet beschikbaar, dan mag de lidstaat voor de omrekening van stieren, ossen, koeien en vaarzen in GVE de coëfficiënt 0,7 gebruiken, en voor kalveren de coëfficiënt 0,25.

Voor een dier waarvoor verschillende premies zijn betaald, wordt een coëfficiënt toegepast die het gemiddelde is van de voor die verschillende premies geldende coëfficiënten.

3. Het aantal GVE als bedoeld in de leden 1 en 2, wordt berekend naar evenredigheid van de toeslagrechten waarvoor de landbouwer in het jaar van integratie van de regeling inzake gekoppelde steun in de bedrijfstoeslagregeling of van uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling geen hectaren bezit en waarvoor hij om toewijzing van de aan speciale voorwaarden onderworpen toeslagrechten verzoekt. Het wordt toegepast te beginnen met de toeslagrechten met de laagste waarde.

Dit verzoek wordt alleen gedaan in het eerste jaar van integratie van de regeling inzake gekoppelde steun in de bedrijfstoeslagregeling of van uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling. De datum voor de indiening van het verzoek wordt door de lidstaat vastgesteld. Het verzoek mag in de daaropvolgende jaren worden hernieuwd voor hetzelfde aantal in artikel 44 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde bijzondere toeslagrechten als het aantal in het voorgaande jaar, of voor het overgebleven deel van die toeslagrechten ingeval een aantal van die toeslagrechten is overgedragen of ingeval een aantal van die toeslagrechten met een overeenkomstig aantal hectaren wordt aangegeven.

In die gevallen wordt het aantal GVE opnieuw berekend naar evenredigheid van de overgebleven toeslagrechten waarvoor de landbouwer om toepassing van de speciale voorwaarden verzoekt.

Als toeslagrechten eenmaal met een overeenkomstig aantal hectaren zijn aangegeven of zijn overgedragen, kan voor die toeslagrechten geen verzoek tot herstel van de in artikel 44 van Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde voorwaarden worden ingediend, onverminderd artikel 44, lid 3, van Verordening (EG) nr. 73/2009.

4. Om toe te zien op de naleving van de in GVE uitgedrukte minimale landbouwactiviteit, bepalen de lidstaten aan de hand van de omrekeningstabel van lid 2 het aantal dieren overeenkomstig één van de volgende methoden:

a) de lidstaten verzoeken elke producent om op basis van zijn bedrijfsregister, vóór een door de lidstaten te bepalen datum, maar niet later dan de betalingsdatum, het aantal GVE aan te geven, en/of

b) de lidstaten maken voor de bepaling van het aantal GVE gebruik van het overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad (19) opgezette gecomputeriseerde gegevensbestand, op voorwaarde dat de lidstaten hebben vastgesteld dat dit gegevensbestand met het oog op de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling voldoende garanties biedt inzake de juistheid van de erin opgeslagen gegevens.

5. Aan de eis inzake de minimale landbouwactiviteit wordt geacht te zijn voldaan, indien het aantal GVE tijdens een door de lidstaten te bepalen periode of op door de lidstaten vast te stellen data 50 % bereikt. Alle tijdens het betrokken kalenderjaar verkochte of geslachte dieren worden in aanmerking genomen.

6. De lidstaten moeten de maatregelen treffen die nodig zijn om artikel 30 van Verordening (EG) nr. 73/2009 toe te passen op producenten die, door middel van abnormaal hoge GVE-aantallen tijdens een deel van het jaar, op kunstmatige wijze de voorwaarden creëren om aan de eis inzake de minimale landbouwactiviteit te voldoen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen