Art. 28, Minimumvereisten voor het ontvangen van rechtstreekse betalingen

1. Met ingang van 2010 kennen de lidstaten in de volgende gevallen geen rechtstreekse betalingen toe aan een landbouwer:

a) indien het totaalbedrag van de in een bepaald kalenderjaar aangevraagde of toe te kennen rechtstreekse betalingen vóór toepassing van de in de artikelen 21 en 23 vastgestelde verlagingen en uitsluitingen lager is dan 100 EUR, of

b) indien het subsidiabele areaal van het bedrijf waarvoor rechtstreekse betalingen worden aangevraagd of moeten worden toegekend vóór de in artikel 21 bedoelde verlagingen en uitsluitingen minder dan één hectare bedraagt.

De lidstaten kunnen, om rekening te houden met de structuur van hun landbouweconomie, de in de punten a) en b) bedoelde drempels aanpassen binnen de in bijlage VII vastgestelde limieten.

Voor landbouwers die over de in artikel 44, lid 1, bedoelde bijzondere toeslagrechten beschikken, is alleen de onder a) bedoelde voorwaarde van toepassing.

De betrokken lidstaten kunnen besluiten dit lid niet toe te passen in de Franse overzeese departementen, op de Azoren en Madeira, op de Canarische Eilanden en op de eilanden in de Egeïsche Zee.

Indien het betaalde bedrag wordt verlaagd ten gevolge van een geleidelijke invoering van rechtstreekse betalingen overeenkomstig artikel 121 van de onderhavige verordening, bijlage VII, of punt K, van Verordening (EG) nr. 1782/2003, of bijlage IX, punt C, van de onderhavige verordening wordt het aangevraagde of toe te kennen bedrag berekend op basis van het definitieve bedrag van de door de landbouwer te ontvangen steun.

2. Met ingang van 2010 kunnen de lidstaten objectieve en niet-discriminerende criteria opstellen om ervoor te zorgen dat er geen rechtstreekse betalingen worden verstrekt aan een natuurlijke of rechtspersoon:

a) wiens landbouwactiviteiten slechts een onaanzienlijk deel uitmaken van zijn totale economische activiteiten of

b) wiens voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel niet de uitoefening van een landbouwactiviteit is.

3. Toeslagrechten die op grond van lid 1 of lid 2 gedurende twee opeenvolgende jaren geen recht op betalingen geven, worden toegevoegd aan de nationale reserve.

Uitspraken die dit artikel aanhalen