Art. 110 Verordening (EG) nr. 73/2009, Speciale premie
1. Aan landbouwers die op hun bedrijf mannelijke runderen houden, kan op aanvraag een speciale premie worden toegekend. Deze premie wordt per kalenderjaar en per bedrijf binnen de grenzen van de regionale maxima toegekend voor ten hoogste 90 dieren van elke in lid 2 bedoelde leeftijdstranche.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „regionaal maximum” verstaan, het aantal dieren waarvoor in een regio en voor een bepaald kalenderjaar een speciale premie kan worden toegekend.
2. De speciale premie wordt ten hoogste:
a) één keer toegekend voor elke stier van ten minste negen maanden oud;
b) twee keer toegekend voor elke os, namelijk:
i) de eerste keer als het dier negen maanden oud is,
ii) de tweede keer nadat het dier 21 maanden oud is geworden.
3. Om voor de speciale premie in aanmerking te komen:
a) moet ieder dier waarvoor een aanvraag is ingediend, gedurende een volgens de procedure van artikel 141, lid 2, nader te bepalen periode door de landbouwer worden gemest;
b) moet ieder dier tot de slacht of de uitvoer vergezeld gaan van een dierenpaspoort als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1760/2000, waarop alle relevante gegevens in verband met de premie zijn vermeld, of, als een dergelijk paspoort niet voorhanden is, van een gelijkwaardig administratief document.
4. Als in een regio het totale aantal stieren van ten minste negen maanden oud en ossen van negen tot 20 maanden oud, waarvoor een premie is aangevraagd en die voldoen aan de voorwaarden voor de toekenning van de speciale premie, het in lid 8 vastgestelde toepasselijke regionale maximum overschrijdt, wordt het totale aantal dieren dat op grond van lid 2, onder a) en b), voor een premie in aanmerking komt, in het betrokken jaar per landbouwer proportioneel verlaagd.
5. In afwijking van de leden 1 en 4 kunnen de lidstaten op basis van objectieve criteria die deel uitmaken van een plattelandsontwikkelingsbeleid en alleen indien zowel de milieuaspecten als de werkgelegenheidsaspecten in aanmerking worden genomen, het maximumaantal van 90 dieren per bedrijf en leeftijdstranche wijzigen of niet toepassen. In dat geval kunnen de lidstaten besluiten lid 4 zo toe te passen dat de vereiste vermindering verwezenlijkt wordt om aan het toepasselijke regionale maximum te voldoen, zonder dat er verminderingen opgelegd worden aan kleine landbouwers die voor het betrokken jaar geen speciale premies hebben aangevraagd voor meer dan een minimumaantal dieren dat door de betrokken lidstaat is vastgesteld.
6. De lidstaten kunnen besluiten de speciale premie toe te kennen bij het slachten van de runderen. In dat geval wordt het in lid 2, onder a), bedoelde leeftijdscriterium voor stieren vervangen door een minimumslachtgewicht van 185 kg.
De premie wordt uitbetaald of doorbetaald aan de landbouwer.
7. De speciale premie bedraagt:
a) 210 EUR per subsidiabele stier;
b) 150 EUR per subsidiabele os en leeftijdstranche.
8. De volgende regionale maxima zijn van toepassing:
Lidstaat
Regionaal maximum
Bulgarije
90 343
Tsjechië
244 349
Denemarken
277 110
Duitsland
1 782 700
Estland
18 800
Cyprus
12 000
Letland
70 200
Litouwen
150 000
Polen
926 000
Roemenië
452 000
Slovenië
92 276
Slowakije
78 348
Finland
250 000
Zweden
250 000