Art. 249 Richtlijn 2009/138/EG, Samenwerking en uitwisseling van informatie tussen toezichthoudende autoriteiten

Richtlijn 2009/138/EG

1. De voor het toezicht op de individuele verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een groep verantwoordelijke autoriteiten en de groepstoezichthouder werken nauw met elkaar samen, met name in gevallen waarin een verzekerings- of herverzekeringsonderneming met financiële moeilijkheden wordt geconfronteerd.

Teneinde te garanderen dat deze toezichthoudende autoriteiten, waaronder de groepstoezichthouder, over dezelfde hoeveelheid relevante informatie beschikken, verstrekken zij, onverminderd hun respectieve verantwoordelijkheden, en ongeacht of zij in dezelfde lidstaat gevestigd zijn, elkaar al deze informatie teneinde de uitoefening van de toezichthoudende taken door de andere autoriteiten krachtens deze richtlijn mogelijk te maken en te vergemakkelijken. In dit verband delen de betrokken toezichthoudende autoriteiten en de groepstoezichthouder elkaar onmiddellijk alle relevante informatie mede zodra deze beschikbaar is. De in deze alinea bedoelde informatie omvat onder meer essentiële of relevante informatie over het optreden van de groep en de toezichthoudende autoriteiten en essentiële of relevante informatie die door de groep is verstrekt.

2. De voor het toezicht op de individuele verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een groep verantwoordelijke autoriteiten en de groepstoezichthouder beleggen ten minste in de volgende gevallen onverwijld een vergadering van alle bij een groep betrokken toezichthoudende autoriteiten:

a) wanneer zij constateren dat in belangrijke mate wordt afgeweken van het solvabiliteitskapitaalvereiste of niet langer wordt voldaan aan het minimumkapitaalvereiste van een afzonderlijke verzekerings- of herverzekeringsonderneming;

b) wanneer zij constateren dat in belangrijke mate wordt afgeweken van het solvabiliteitskapitaalvereiste op groepsniveau berekend op basis van geconsolideerde gegevens of het geaggregeerhet solvabiliteitskapitaalvereiste van de groep, naar gelang van de methode die overeenkomstig titel III, hoofdstuk II, afdeling 1, onderafdeling 4, wordt gebruikt;

c) wanneer zich andere uitzonderlijke omstandigheden voordoen of hebben voorgedaan.

3. De Commissie neemt uitvoeringsmaatregelen aan waarin wordt bepaald welke gegevens systematisch door de groepstoezichthouder moeten worden vergaard en onder de overige betrokken toezichthoudende autoriteiten moeten worden verspreid, dan wel door de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten aan de groepstoezichthouder moeten worden medegedeeld.

Teneinde de convergentie van de toezichtrapportage te bevorderen, neemt de Commissie uitvoeringsmaatregelen aan waarin nader wordt gespecificeerd welke gegevens essentieel of relevant zijn voor het toezicht op groepsniveau.

De in dit lid bedoelde maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.