Art. 247 Richtlijn 2009/138/EG, Groepstoezichthouder

Richtlijn 2009/138/EG

1. Uit de kring van toezichthoudende autoriteiten van de betrokken lidstaten wordt één enkele toezichthouder aangewezen die verantwoordelijk is voor de coördinatie en uitoefening van het groepstoezicht (hierna de „groepstoezichthouder” genoemd).

2. Ingeval dezelfde toezichthoudende autoriteit bevoegd is voor alle verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een groep, wordt de functie van groepstoezichthouder door deze toezichthoudende autoriteit uitgeoefend.

In alle andere gevallen wordt, behoudens het bepaalde in lid 3, de functie van groepstoezichthouder uitgeoefend door de volgende autoriteit:

a) indien aan het hoofd van een groep een verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de toezichthoudende autoriteit die aan deze onderneming vergunning heeft verleend;

b) indien aan het hoofd van een groep geen verzekerings- of herverzekeringsonderneming staat, de toezichthoudende autoriteit die op grond van de volgende criteria wordt aangewezen:

i) indien de moederonderneming van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming een verzekeringsholding is, de toezichthoudende autoriteit die aan deze verzekerings- of herverzekeringsonderneming vergunning heeft verleend;

ii) indien meerdere verzekerings- of herverzekeringsondernemingen met hoofdkantoor in de Gemeenschap dezelfde verzekeringsholding als moederonderneming hebben en aan een van deze ondernemingen vergunning is verleend in de lidstaat waar de verzekeringsholding haar hoofdkantoor heeft, de toezichthoudende autoriteit van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming waaraan in die lidstaat vergunning is verleend;

iii) indien meerdere verzekeringsholdings met hoofdkantoor in verschillende lidstaten aan het hoofd van de groep staan en er in elk van deze lidstaten een verzekerings- of herverzekeringsonderneming is, de toezichthoudende autoriteit van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming met het hoogste balanstotaal;

iv) indien meerdere verzekerings- of herverzekeringsondernemingen met hoofdkantoor in de Gemeenschap dezelfde verzekeringsholding als moederonderneming hebben en aan geen van deze ondernemingen vergunning is verleend in de lidstaat waar de verzekeringsholding haar hoofdkantoor heeft, de toezichthoudende autoriteit die vergunning heeft verleend aan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming met het hoogste balanstotaal;

v) indien de groep een groep is zonder moederonderneming, of in elk geval niet bedoeld onder i) tot en met iv) de toezichthoudende autoriteit die vergunning heeft verleend aan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming met het hoogste balanstotaal.

3. In bijzondere gevallen kunnen de betrokken toezichthoudende autoriteiten op verzoek van een van de autoriteiten gezamenlijk besluiten om af te wijken van de criteria van lid 2 indien de toepassing ervan, gelet op de structuur van de groep en het relatieve belang van de activiteiten van de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in de verschillende lidstaten, ongepast zou zijn, en een andere toezichthoudende autoriteit als groepstoezichthouder aanwijzen.

In dat verband kan elk van de betrokken toezichthoudende autoriteiten verzoeken om een discussie te openen over de vraag of de in lid 2 bedoelde criteria gepast zijn. Een dergelijke discussie vindt niet vaker dan eenmaal per jaar plaats.

De betrokken toezichthoudende autoriteiten doen alles wat in hun vermogen ligt om binnen drie maanden na het verzoek om de opening van een discussie een gezamenlijk besluit over de keuze van de groepstoezichthouder te nemen. Alvorens hun besluit te nemen, bieden de toezichthoudende autoriteiten de groep de gelegenheid haar standpunt kenbaar te maken.

4. Gedurende de in lid 3, derde alinea, bedoelde periode van drie maanden kan elk van de betrokken toezichthoudende autoriteiten verzoeken om raadpleging van het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen. Wanneer het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen wordt geraadpleegd, wordt die periode met twee maanden verlengd.

5. Wanneer het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen is geraadpleegd, houden de betrokken toezichthoudende autoriteiten naar behoren rekening met het advies van dit comité alvorens een gezamenlijk besluit te nemen. Het gezamenlijk besluit wordt volledig met redenen omkleed en bevat een verklaring van elke belangrijke afwijking van het advies van het comité.

6. Indien er geen gezamenlijk besluit is tot afwijking van de in lid 2 vermelde criteria, wordt de functie van groepstoezichthouder uitgeoefend door de toezichthoudende autoriteit die daarvoor overeenkomstig lid 2 in aanmerking komt.

7. Het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen stelt het Europees Parlement, de Raad en de Commissie ten minste eenmaal per jaar in kennis van alle belangrijke problemen met de toepassing van de leden 2, 3 en 6.

Indien zich belangrijke problemen voordoen bij de toepassing van de in de leden 2 en 3 vermelde criteria, neemt de Commissie uitvoeringsmaatregelen aan om deze criteria nader te specificeren.

Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.

8. Ingeval er in een lidstaat meerdere toezichthoudende autoriteiten bevoegd zijn voor de uitoefening van het prudentiële toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, treft de betrokken lidstaat de nodige maatregelen om de coördinatie tussen deze autoriteiten te verzekeren.