Art. 237 Richtlijn 2009/138/EG, Dochterondernemingen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming: besluit over de aanvraag
1. Bij aanvragen om aan de voorschriften van de artikelen 238 en 239 te mogen worden onderworpen, bepalen de betrokken toezichthoudende autoriteiten in het college van toezichthouders, in overleg, of zij de aanvraag al dan niet inwilligen en onder welke eventuele voorwaarden deze aanvraag wordt ingewilligd.
De in de eerste alinea bedoelde aanvraag wordt alleen ingediend bij de toezichthoudende autoriteit die vergunning voor de dochteronderneming heeft verleend. Die toezichthoudende autoriteit stelt de andere toezichthoudende autoriteiten in het college van toezichthouders onverwijld in kennis en doet de volledige aanvraag onverwijld aan hen toekomen.
2. De betrokken toezichthoudende autoriteiten doen alles wat in hun vermogen ligt om binnen drie maanden na de datum van ontvangst door alle toezichthoudende autoriteiten van het college van de volledige aanvraag een gezamenlijk besluit over de aanvraag te nemen.
3. Indien zich binnen de in lid 2 genoemde termijn een verschil van mening over de goedkeuring van de in lid 1 bedoelde aanvraag voordoet, kan de groepstoezichthouder of een van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen raadplegen. Indien het Comité wordt geraadpleegd, worden alle betrokken toezichthoudende autoriteiten daarvan in kennis gesteld en wordt de in lid 2 bedoelde termijn met een maand verlengd.
Wanneer het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen is geraadpleegd, bestuderen de betrokken toezichthoudende autoriteiten dit advies naar behoren alvorens een gezamenlijk besluit te nemen.
4. De toezichthoudende autoriteit die een vergunning heeft verleend aan de dochteronderneming doet het in de leden 2 en 3 bedoelde gezamenlijk besluit schriftelijk, met opgaaf van redenen en met een verklaring van elke aanzienlijke afwijking van de standpunten van het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen, indien dat geraadpleegd is, aan de aanvrager toekomen. Het gezamenlijk besluit wordt als definitief erkend en door de toezichthoudende autoriteiten van de betrokken lidstaten toegepast.
5. Indien er binnen de in de in de leden 2 en 3 vastgestelde termijnen geen gezamenlijk besluit van de betrokken toezichthoudende autoriteiten is, neemt de groepstoezichthouder op eigen gezag een besluit over de aanvraag.
Bij het nemen van zijn besluit houdt de groepstoezichthouder naar behoren rekening met het volgende:
a) de tijdens de toepasselijke termijn door de betrokken toezichthoudende autoriteiten geuite standpunten en voorbehouden;
b) de tijdens de toepasselijke termijn door de andere toezichthoudende autoriteiten in het college van toezichthouders geuite voorbehouden;
c) wanneer het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen is geraadpleegd, het advies van dit comité.
Het besluit bevat eenvolledige opgaaf van redenen en een toelichting op elke aanzienlijke afwijking van de voorbehouden van de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten en van het advies van het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen. De groepstoezichthouder doet een kopie van het besluit aan de aanvrager en de andere betrokken toezichthoudende autoriteiten toekomen.