Art. 238 Richtlijn 2009/138/EG, Dochterondernemingen van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming: vaststelling van het solvabiliteitskapitaalvereiste
1. Onverminderd artikel 231 wordt het solvabiliteitskapitaalvereiste van de dochteronderneming berekend overeenkomstig de leden 2, 4 en 5 van dit artikel.
2. Ingeval het solvabiliteitskapitaalvereiste van de dochteronderneming wordt berekend op basis van een overeenkomstig artikel 231 op groepsniveau goedgekeurd intern model en indien de toezichthoudende autoriteit die aan de dochteronderneming vergunning heeft verleend van mening is dat het risicoprofiel duidelijk afwijkt van dit interne model, en zolang deze onderneming niet afdoende aan de bezorgdheden van de toezichthoudende autoriteit tegemoet is gekomen, kan deze autoriteit in de in artikel 37 bedoelde gevallen voorstellen op het uit de toepassing van dit interne model voor deze dochteronderneming resulterenhet solvabiliteitskapitaalvereiste een opslagfactor toe te passen, of, in uitzonderlijke omstandigheden waarin de toepassing van een dergelijke opslagfactor niet gepast is, te verlangen dat deze onderneming haar solvabiliteitskapitaalvereiste berekent op basis van de standaardformule. De toezichthoudende autoriteit bespreekt dit voorstel in het college van toezichthouders en deelt de redenen waarom zij een dergelijk voorstel doet, aan zowel de dochteronderneming als het college van toezichthouders mede.
3. Ingeval het solvabiliteitskapitaalvereiste van de dochteronderneming wordt berekend op basis van de standaardformule en indien de toezichthoudende autoriteit die aan de dochteronderneming vergunning heeft verleend van mening is dat het risicoprofiel van die onderneming duidelijk afwijkt van de aannames die aan de standaardformule ten grondslag liggen, en zolang deze onderneming niet afdoende tegemoet komt aan de bezorgdheden van de toezichthoudende autoriteit, kan deze autoriteit in uitzonderlijke omstandigheden voorstellen dat de onderneming een onderset van de parameters die in de standaardformule voor de berekening worden gebruikt, vervangt door parameters die kenmerkend zijn voor die onderneming bij de berekening van de levens-, schade- en bijzondere-ziektekostenverzekeringstechnische risicomodules, zoals uiteengezet in artikel 110 of in de in artikel 37 bedoelde gevallen op het solvabiliteitskapitaalvereiste van die dochteronderneming een opslagfactor toe te passen.
De toezichthoudende autoriteit bespreekt dit voorstel in het college van toezichthouders en deelt de redenen waarom zij een dergelijk voorstel doet, aan zowel de dochteronderneming als het college van toezichthouders mede.
4. Het college van toezichthouders doet alles wat in zijn vermogen ligt om tot overeenstemming te komen over het voorstel van de toezichthoudende autoriteit die voor de dochteronderneming een vergunning heeft verleend, of over andere mogelijke maatregelen.
5. Indien de toezichthoudende autoriteit en de groepstoezichthouder het oneens zijn, wordt de zaak binnen de maand na de indiening van het voorstel door de toezichthoudende autoriteit, ter raadpleging voorgelegd aan het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen, dat binnen de twee maanden nadat de zaak is voorgelegd advies daarover uitbrengt.
De toezichthoudende autoriteit die de dochteronderneming vergunning heeft verleend, bestudeert dit advies alvorens een definitief besluit te nemen.
Het besluit bevat een volledige opgaaf van redenen met inachtneming van de door de andere toezichthoudende autoriteiten in het college van toezichthouders geuite standpunten, met inbegrip van de voorbehouden en het advies van het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen.
Het besluit wordt voorgelegd aan de dochteronderneming en het college van toezichthouders.