Art. 211 Richtlijn 2009/138/EG, Special Purpose Vehicle
1. De lidstaten stellen de vestiging van Special Purpose Vehicles op hun grondgebied afhankelijk van de voorafgaande toestemming van de toezichthouder.
2. Om te garanderen dat ten aanzien van Special Purpose Vehicles een geharmoniseerde benadering wordt gevolgd, neemt de Commissie uitvoeringsmaatregelen aan tot vaststelling van het volgende:
a) reikwijdte van de vergunning;
b) verplichte voorwaarden die in alle afgesloten overeenkomsten moeten voorkomen;
c) de in artikel 42 bedoelde betrouwbaarheids- en deskundigheidseisen voor de personen die het Special Purpose Vehicle leiden;
d) betrouwbaarheids- en deskundigheidseisen voor aandeelhouders of leden met een gekwalificeerde deelneming in het Special Purpose Vehicle;
e) deugdelijke administratieve en boekhoudprocedures, adequate internecontrolemechanismen en vereisten op het gebied van Risk management;
f) boekhoudeisen, alsmede prudentiële en statistische informatievereisten;
g) solvabiliteitsvereisten.
Deze maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, onder meer door deze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 301, lid 3.
3. Special Purpose Vehicles waarvoor toestemming is verleend vóór 31 oktober 2012, ressorteren onder het recht van de lidstaat die toestemming heeft gegeven voor het Special Purpose Vehicle. Voor alle nieuwe activiteiten die door een Special Purpose Vehicle worden begonnen na die datum, gelden evenwel lid 1 en lid 2 van dit artikel.