Art. 1 Richtlijn 2009/103/EG, Definities

Richtlijn 2009/103/EG

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. „voertuigen”: alle rij- of voertuigen die bestemd zijn om zich anders dan langs spoorstaven over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, alsmede al dan niet aan de rij- of voertuigen gekoppelde aanhangwagens en opleggers;

2. „benadeelden”: zij die recht hebben op vergoeding van door voertuigen veroorzaakte schade;

3. „nationaal bureau van verzekeraars”: de overeenkomstig aanbeveling nr. 5 van 25 januari 1949 van de subcommissie voor het wegvervoer van het Comité voor binnenlands vervoer van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties opgerichte beroepsorganisatie, waarbij verzekeringsondernemingen zijn aangesloten die in een staat zijn toegelaten tot de uitoefening van de verzekeringsbranche „wettelijke aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen”;

4. „grondgebied waar het voertuig gewoonlijk is gestald”:

a) het grondgebied van de staat waarvan het voertuig een kentekenplaat draagt, ongeacht of het een permanente of een tijdelijke kentekenplaat betreft, of

b) indien voor een bepaald soort voertuigen geen registratie bestaat, maar dit voertuig een verzekeringsplaat of een met een kentekenplaat overeenkomend kenteken draagt, het grondgebied van de staat waar deze plaat of dit kenteken zijn afgegeven, of

c) indien voor bepaalde typen voertuigen geen registratie, verzekeringsplaat of onderscheidingsteken bestaat, het grondgebied van de staat waar de houder zijn woonplaats heeft,

d) in gevallen waarin voertuigen die geen kentekenplaat dragen of een kentekenplaat dragen die niet overeenkomt of niet langer overeenkomt met het voertuig, bij een ongeval betrokken zijn geweest, het grondgebied van de staat waar het ongeval heeft plaatsgevonden, met het oog op de afwikkeling van de vordering overeenkomstig artikel 2, onder a), of artikel 10;

5. „groene kaart”: het internationaal motorrijtuigenverzekeringsbewijs, afgegeven namens een nationaal bureau overeenkomstig aanbeveling nr. 5 van 25 januari 1949 van de subcommissie voor het wegvervoer van het Comité voor binnenlands vervoer van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties;

6. „verzekeringsonderneming”: een onderneming waaraan een officiële vergunning is verleend overeenkomstig artikel 6 of artikel 23, lid 2, van Richtlijn 73/239/EEG;

7. „vestiging”: het hoofdkantoor, een agentschap of bijkantoor van een verzekeringsonderneming, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder c), van de tweede Richtlijn 88/357/EEG van de Raad van 22 juni 1988 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, tot vaststelling van bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten (14).