HvJ EU 29 april 2021, C-383/19, ECLI:EU:C:2021:337

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

29 april 2021 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven – Richtlijn 2009/103/EG – Artikel 3, eerste alinea – Verplichting om een verzekeringsovereenkomst te sluiten – Omvang – Lokale overheid die via de rechter een voertuig heeft verworven – Geregistreerd voertuig dat zich op een privéterrein bevindt en voor de sloop is bestemd”

In zaak C‑383/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy w Ostrowie Wielkopolskim (rechter in eerste aanleg Ostrów Wielkopolski, Polen) bij beslissing van 12 februari 2019, ingekomen bij het Hof op 15 mei 2019, in de procedure

Powiat Ostrowski

tegen

Ubezpieczeniowy Fundusz Gwarancyjny,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, M. Ilešič, E. Juhász, C. Lycourgos en I. Jarukaitis (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Bobek,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Ubezpieczeniowy Fundusz Gwarancyjny, vertegenwoordigd door M. Piwińska, radca prawny,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann, E. Lankenau, U. Bartl en D. Klebs als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Tserepa-Lacombe, B. Sasinowska en S. L. Kalėda als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 december 2020,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3 van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB 2009, L 263, blz. 11).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Powiat Ostrowski (district Ostrów, Polen; hierna: „district”) en het Ubezpieczeniowy Fundusz Gwarancyjny (waarborgfonds voor verzekeringen, Polen; hierna: „waarborgfonds”) over de eventuele verplichting voor het district om voor een voertuig dat het district via de rechter heeft verworven en dat het voor de sloop heeft bestemd, een verzekering af te sluiten tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van een motorrijtuig aanleiding kan geven.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De overwegingen 1 en 2 van richtlijn 2009/103 luiden als volgt: „(1) Richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid [(PB 1972, L 103, blz. 1)], tweede richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven [(PB 1984, L 8, blz. 17)], derde richtlijn 90/232/EEG van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven [(PB 1990, L 129, blz. 33)] en richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 mei 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (vierde richtlijn verzekering motorrijtuigen) [(PB 2000, L 181, blz. 65)] zijn herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd […]. Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze vier richtlijnen en richtlijn 2005/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 houdende wijziging van de richtlijnen [72/166], [84/5], 88/357/EEG en [90/232] van de Raad en richtlijn [2000/26] betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven [(PB 2005, L 149, blz. 14)] te worden overgegaan. (2) De verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (motorrijtuigenverzekering) is van bijzonder groot belang voor Europese burgers, of zij verzekeringnemers zijn of slachtoffers van een ongeval. Zij is tevens van grote betekenis voor verzekeringsondernemingen omdat de motorrijtuigenverzekering een aanzienlijk deel van het schadeverzekeringsbedrijf in de Gemeenschap vormt. Daarnaast heeft de motorrijtuigenverzekering gevolgen voor het vrije verkeer van personen en voertuigen. […]”

4 Artikel 1 van richtlijn 2009/103 bevat de volgende definities: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: 1. ‚voertuigen’: alle rij- of voertuigen die bestemd zijn om zich anders dan langs spoorstaven over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, alsmede al dan niet aan de rij- of voertuigen gekoppelde aanhangwagens en opleggers; […] 4. ‚grondgebied waar het voertuig gewoonlijk is gestald’: a) het grondgebied van de staat waarvan het voertuig een kentekenplaat draagt, ongeacht of het een permanente of een tijdelijke kentekenplaat betreft, of […]”

5 Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Verplichte motorrijtuigenverzekering”, bepaalt: „Iedere lidstaat treft, onverminderd de toepassing van artikel 5, de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.”

6 Artikel 4 van deze richtlijn, betreffende de „[c]ontrole op de verzekering”, luidt: „De lidstaten zien ervan af controle uit te oefenen op de verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid bij voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een andere lidstaat zijn gestald en bij voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van een derde land zijn gestald wanneer deze hun grondgebied binnenkomen vanuit het grondgebied van een andere lidstaat. Zij kunnen evenwel niet-systematische controles op de verzekering uitvoeren mits deze niet-discriminerend zijn en als onderdeel van een controle worden uitgevoerd die niet uitsluitend op de controle van de verzekering is gericht.”

7 Artikel 5 van richtlijn 2009/103, met als opschrift „Afwijking van de verplichting tot het afsluiten van een verzekering voor voertuigen”, bepaalt: „1. Iedere lidstaat kan afwijken van de bepalingen van artikel 3 ten aanzien van publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, van wie door deze staat een lijst wordt opgemaakt, die aan de andere lidstaten en aan de [Europese] Commissie wordt toegezonden. De lidstaat die aldus van artikel 3 afwijkt, neemt de nodige maatregelen ter verzekering van de schadeloosstelling van de schade veroorzaakt op zijn eigen grondgebied en op het grondgebied van de andere lidstaten door aan deze personen toebehorende voertuigen. […] 2. Iedere lidstaat kan afwijken van de bepalingen van artikel 3 ten aanzien van bepaalde typen voertuigen of bepaalde voertuigen met een speciale kentekenplaat, waarvan door deze staat een lijst wordt opgemaakt, die aan de andere lidstaten en aan de Commissie wordt toegezonden. In dat geval dragen de lidstaten er zorg voor dat de in de eerste alinea bedoelde voertuigen op dezelfde wijze worden behandeld als voertuigen die niet voldoen aan de verzekeringsverplichting als bedoeld in artikel 3. […]”

8 Artikel 10 van deze richtlijn („Schadevergoedingsorgaan”) bepaalt in de eerste alinea van lid 1: „Elke lidstaat stelt een orgaan in of erkent een orgaan dat tot taak heeft materiële schade en lichamelijk letsel die zijn veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig of een voertuig waarvoor niet aan de in artikel 3 bedoelde verzekeringsplicht is voldaan, ten minste binnen de grenzen van de verplichte verzekering te vergoeden.”

Pools recht

9 De ustawa o ubezpieczeniach obowiązkowych, Ubezpieczeniowym Funduszu Gwarancyjnym i Polskim Biurze Ubezpieczycieli Komunikacyjnych (wet op de verplichte verzekering, het waarborgfonds en het Poolse bureau voor motorrijtuigenverzekeraars) van 22 mei 2003, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (Dz. U. van 2018, volgnr. 473; hierna: „wet op de verplichte verzekering”), bepaalt in artikel 10, lid 2: „Bij de gewone rechter kan een verklaring voor recht worden gevorderd dat aan de verzekeringsplicht is voldaan of dat er geen verzekeringsplicht is.”

10 Artikel 23, lid 1, van de wet op de verplichte verzekering bepaalt dat een houder van een motorrijtuig verplicht is tot het afsluiten van een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor houders van motorrijtuigen voor schade die wordt veroorzaakt door de deelneming aan het verkeer van het door hem gehouden motorrijtuig.

11 Artikel 31, lid 3, van deze wet luidt als volgt: „In geval van overgang of overdracht van de eigendom van een ingeschreven motorrijtuig waarvoor de houder, in strijd met zijn verplichting [krachtens deze wet], geen wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor houders van motorrijtuigen heeft afgesloten, is degene op wie de eigendom is overgegaan of overgedragen verplicht een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor houders van motorrijtuigen af te sluiten op de datum van overgang of overdracht van de eigendom van het motorrijtuig, en uiterlijk wanneer het motorrijtuig in gebruik wordt genomen. […]”

12 Artikel 33 van deze wet bepaalt nader dat de verplichte wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor de houders van een motorrijtuig onder meer eindigt op het moment van doorhaling van de registratie van het motorrijtuig of door de afgifte van een incompleet voertuig aan een autosloop- of recyclingbedrijf, op basis van een bewijs van ontvangst van een incompleet voertuig als bedoeld in de ustawa o recklingu pojazdów wycofanych z eksploatacji (wet betreffende de recycling van uit het verkeer genomen voertuigen) van 20 januari 2005 (Dz. U. van 2018, volgnr. 578), dan wel op basis van een in een andere lidstaat afgegeven gelijkwaardig document.

13 Overeenkomstig artikel 84, lid 1, van deze wet is het waarborgfonds het orgaan dat bevoegd is erop toe te zien dat de houders van motorrijtuigen de verplichting naleven om een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten. Krachtens artikel 88, lid 7, van deze wet moet degene die verzuimt een dergelijke overeenkomst te sluiten, het waarborgfonds een geldboete betalen.

14 De ustawa Prawo o ruchu drogowym (wet tot vaststelling van de wegenverkeerswet) van 20 juni 1997, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (Dz. U. van 2018, volgnr. 1990), stelt in artikel 130a de voorwaarden vast voor de verwijdering van een voertuig op kosten van de eigenaar. Lid 10 van dit artikel bepaalt in de eerste alinea: „De starosta [(districtscommissaris)] dient in de in de leden 1 en 2 bepaalde gevallen[, met name bij niet-naleving van de parkeervoorschriften of wanneer de technische staat van het voertuig een bedreiging vormt voor de verkeersveiligheid], bij de rechter een verzoek in tot verbeurdverklaring van een verwijderd voertuig ten gunste van de powiat [(district)] indien de eigenaar of een gemachtigde het voertuig, na een naar behoren gegeven waarschuwing, niet binnen drie maanden nadat het is weggesleept komt afhalen. Het bericht bevat informatie over de gevolgen van het niet-afhalen van het voertuig. […]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15 Bij beslissing van 16 januari 2018 heeft de Sąd Rejonowy w Ostrowie Wielkopolskim (rechter in eerste aanleg Ostrów Wielkopolski, Polen), overeenkomstig de procedure van artikel 130a, lid 10, van de wegenverkeerswet, de verbeurdverklaring van een in Polen geregistreerd voertuig ten gunste van het district bevolen. Deze beslissing is op 7 februari 2018 in kracht van gewijsde gegaan, op welke datum het district eigenaar van het voertuig is geworden.

16 Het district heeft een verzoek ingediend tot kennisgeving van de beslissing met daarbij een certificaat waaruit blijkt dat deze beslissing definitief is, alsmede een verzoek tot het aanbrengen van de formule van tenuitvoerlegging. Deze verzoeken zijn op 20 april 2018 ingewilligd. Aangezien deze datum op een vrijdag viel, heeft het district het voertuig verzekerd vanaf de eerstvolgende dag waarop zijn kantoren waren geopend, namelijk maandag 23 april 2018.

17 Blijkens het aan het Hof overgelegde dossier is het betrokken voertuig op 2 mei 2018 gekeurd. Bij die keuring is vastgesteld dat het voertuig niet kon worden gestart, dat het in slechte technische staat verkeerde, dat het ging om een wrak en dat het een marktwaarde van 400 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 89 euro) had.

18 Gezien deze technische staat heeft het district besloten het voertuig naar de schroot af te voeren. Het voertuig is toen, met het oog op vernietiging, overgedragen aan een autosloperij, die een sloopverklaring heeft afgegeven. Het voertuig is op basis van die verklaring op 22 juni 2018 uitgeschreven.

19 Bij brief van 10 juli 2018 heeft het waarborgfonds het district laten weten te hebben vastgesteld dat het voertuig tot en met 22 april 2018 niet verzekerd was geweest en dat het district een boete moest betalen van 4200 PLN (ongeveer 933 EUR) wegens niet-nakoming van zijn verplichting om in de periode van 7 februari tot en met 22 april 2018 (hierna: „litigieuze periode”) voor dat voertuig een verzekering af te sluiten tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van dit voertuig aanleiding kon geven.

20 Op 25 september 2018 heeft het district bij de Sąd Rejonowy w Ostrowie Wielkopolskim, de verwijzende rechter, beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het in de litigieuze periode niet verplicht was het voertuig te verzekeren. In dit verband betoogt het district ten eerste dat het geen verzekeringsovereenkomst kon sluiten alvorens op 20 april 2018 een kopie van het bevel tot verbeurdverklaring te hebben verkregen, en ten tweede dat het voertuig gedurende die periode op een bewaakt parkeerterrein stond en niet kon rijden, zodat er geen schade kon worden veroorzaakt door de deelneming van dat voertuig aan het verkeer.

21 Het waarborgfonds concludeert tot verwerping van dit beroep, aangezien de technische staat van het voertuig volgens dit fonds niet van belang is in het licht van de verplichting van de houders van motorrijtuigen om een overeenkomst te sluiten ter verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven.

22 De verwijzende rechter wijst erop dat de voertuigen waarvoor een bevel tot verbeurdverklaring is uitgevaardigd, door een deskundige aan een technisch onderzoek worden onderworpen en dat een voertuig waarvan is vastgesteld dat het niet langer geschikt is voor gebruik, door middel van een proces-verbaal van overhandiging/ontvangst ter vernietiging wordt overgedragen aan een autosloperij, die een sloopverklaring opstelt op basis waarvan het voertuig wordt uitgeschreven.

23 Hij benadrukt dat de verzekeringsplicht van artikel 23, lid 1, van de wet inzake de verplichte verzekering geldt ongeacht of het betrokken voertuig kan rijden dan wel of het voor de sloop is bestemd vanwege de technische staat ervan waardoor het niet als vervoermiddel kan worden gebruikt, en ook dat de in artikel 31, lid 3, van deze wet bedoelde verzekeringsplicht van toepassing is in geval van overgang of overdracht van de eigendom van een geregistreerd voertuig waarvoor de oorspronkelijke houder, ondanks zijn verplichting daartoe, geen dergelijke overeenkomst heeft gesloten, zoals in de zaak die bij hem aanhangig is, ongeacht de vraag of het betrokken voertuig als vervoermiddel kan worden gebruikt en zelfs indien de nieuwe eigenaar dit voertuig voor de sloop bestemt.

24 Hij merkt wat de feiten betreft op dat het voertuig in het geding voor de gehele litigieuze periode was gestald op een bewaakt parkeerterrein en dat het, gezien de technische staat ervan, onmogelijk kon worden gebruikt om mee te rijden. Verder was dit voertuig, overeenkomstig de keuze van de eigenaar, bestemd om te worden gesloopt, hetgeen daadwerkelijk is gebeurd, aangezien dit voertuig vanuit technisch oogpunt als „schroot” werd aangemerkt.

25 In deze context vraagt hij zich af of een uitzondering kan worden gemaakt op de verplichting tot het afsluiten van een verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, wanneer het betrokken voertuig op een privéterrein is gestald, krachtens een definitieve beslissing van een rechterlijke instantie eigendom is geworden van een lokale overheid, niet geschikt is voor de weg en overeenkomstig de keuze van de eigenaar is bestemd voor de sloop.

26 In dit verband, en gelet op met name het arrest van 4 september 2018, Juliana (C‑80/17, EU:C:2018:661), vraagt hij zich af of het voor de kwalificatie als „voertuig” in de zin van artikel 1, punt 1, van richtlijn 2009/103 noodzakelijk is dat een voertuig geschikt is voor de weg en als vervoermiddel kan worden gebruikt. Volgens hem bestond er op grond van dat arrest voor het district geen verplichting een verzekering af te sluiten tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, aangezien het district vanaf het moment van verwerving van het betrokken voertuig niet voornemens was het voertuig aan het verkeer te laten deelnemen en dit voertuig, vanaf dat moment tot aan de sloop ervan, niet in staat of bestemd was om te rijden en dus niet zijn functie van vervoermiddel kon vervullen. Het district zou krachtens artikel 31, lid 3, van de wet inzake de verplichte verzekering evenwel verplicht zijn geweest om voor het betrokken voertuig een dergelijke verzekering af te sluiten.

27 Hierop heeft de Sąd Rejonowy w Ostrowie Wielkopolskim besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen. „1) Moet artikel 3 van [richtlijn 2009/103] aldus worden uitgelegd dat de verplichting tot het afsluiten van een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering in verband met de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen ook geldt in situaties waarin een lokale overheid – de powiat (district) – op grond van een rechterlijke beslissing de eigendom heeft verworven van een voertuig dat niet geschikt is voor de weg, dat zich bevindt op een privéterrein dat is ingericht als bewaakt parkeerterrein buiten de openbare weg en dat overeenkomstig de keuze van de eigenaar bestemd is voor de sloop? 2) Of moet het aldus worden uitgelegd dat de lokale overheid die de eigenaar van het voertuig is, in dergelijke omstandigheden niet verplicht is om een verzekering af te sluiten, onverminderd de aansprakelijkheid jegens derden van [het waarborgfonds]?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Ontvankelijkheid

28 Het waarborgfonds betwist de ontvankelijkheid van de gestelde vragen. In dit verband stelt dit fonds dat de vragen, voor zover zij betrekking hebben op de status van de entiteit die eigenaar is van het voertuig en de wijze van verwerving daarvan, geen verband houden met de uitlegging van artikel 3 van richtlijn 2009/103 en in werkelijkheid betrekking hebben op de uitlegging van het nationale recht, en dat het Hof deze vragen al heeft beantwoord voor zover zij betrekking hebben op de technische staat van het voertuig, de plaats waar het voertuig is gestald en het voornemen van de eigenaar om het te laten slopen, zodat deze niet opnieuw hoeven te worden beantwoord.

29 In de eerste plaats moet eraan worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend de taak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt, om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden [arresten van15 januari 2013, Križan e.a., C‑416/10, EU:C:2013:8, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte), C‑510/19, EU:C:2020:953, punt 25].

30 Bijgevolg geldt voor prejudiciële vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die het nodig heeft om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen [arresten van 15 januari 2013, Križan e.a., C‑416/10, EU:C:2013:8, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte), C‑510/19, EU:C:2020:953, punt 26].

31 In casu hebben de gestelde vragen uitdrukkelijk betrekking op de uitlegging van artikel 3 van richtlijn 2009/103, waarbij de verwijzende rechter in wezen twijfels koestert over de omvang van de in dat artikel bepaalde verplichting om een verzekering af te sluiten tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven.

32 Bovendien is het duidelijk dat de onderhavige zaak onder geen van de drie hypothesen valt die zijn genoemd in de in punt 30 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, en dat overigens geen van de door het waarborgfonds aangevoerde argumenten kan aantonen dat er sprake is van een van die hypothesen en aldus het vermoeden van relevantie dat op de vragen betreffende het Unierecht rust, kan weerleggen.

33 In de tweede plaats is het een nationale rechterlijke instantie geenszins verboden het Hof een prejudiciële vraag te stellen waarvan de beantwoording in de opvatting van een van de partijen in het hoofdgeding geen ruimte laat voor redelijke twijfel. Zelfs al was dit het geval, dan wordt deze vraag daardoor dus nog niet niet-ontvankelijk (arresten van 1 december 2011, Painer, C‑145/10, EU:C:2011:798, punten 64 en 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 juli 2020, Vueling Airlines, C‑86/19, EU:C:2020:538, punt 22).

34 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de gestelde vragen ontvankelijk zijn.

Ten gronde

35 Vooraf zij opgemerkt dat de verwijzende rechter met zijn twee vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, in wezen van het Hof wenst te vernemen wat de omvang is van de verzekeringsplicht van artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103. Zoals blijkt uit overweging 1 van richtlijn 2009/103, codificeert deze richtlijn de eerdere richtlijnen inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, zonder deze in wezen te wijzigen. De rechtspraak betreffende deze eerdere richtlijnen kan dus worden toegepast op de uitlegging van de overeenkomstige bepalingen van richtlijn 2009/103.

36 Voorts treft iedere lidstaat overeenkomstig artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103, onverminderd de toepassing van artikel 5 van deze richtlijn, de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.

37 Ofschoon artikel 5 van richtlijn 2009/103 bepaalt dat elke lidstaat onder de in dat artikel gepreciseerde voorwaarden kan afwijken van de bepalingen van artikel 3 van deze richtlijn ten aanzien van, volgens lid 1 van het eerstgenoemde artikel, bepaalde publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke personen of rechtspersonen, of, volgens lid 2 van datzelfde artikel 5, bepaalde typen voertuigen of bepaalde voertuigen met een speciale kentekenplaat, blijkt dat de Republiek Polen geen gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid voor voertuigen die door lokale overheden zijn verworven krachtens een rechterlijke beslissing, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is. Bijgevolg is het feit dat dit voertuig door een lokale overheid is verworven krachtens een rechterlijke beslissing, in casu irrelevant voor de toepasselijkheid van artikel 3, eerste alinea, in het kader van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing.

38 In deze omstandigheden dient te worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn twee vragen in wezen wenst te vernemen of artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat het verplicht is een overeenkomst te sluiten ter verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, wanneer het betrokken voertuig in een lidstaat is geregistreerd, het zich op een privéterrein bevindt, het vanwege de technische staat ervan niet geschikt is voor de weg en het overeenkomstig de keuze van de eigenaar bestemd is voor de sloop.

39 Zoals het Hof reeds heeft vastgesteld, verplicht dit artikel 3, eerste alinea – dat in zeer algemene bewoordingen is gesteld – de lidstaten ertoe in hun nationale rechtsorde een algemene verplichting tot het verzekeren van motorrijtuigen op te nemen (arrest van 4 september 2018, Juliana, C‑80/17, EU:C:2018:661, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 Elke lidstaat moet er dus voor zorgen dat ieder voertuig dat gewoonlijk op zijn grondgebied is gestald, onverminderd de in artikel 4 van deze richtlijn genoemde afwijkingen, door een verzekeringsovereenkomst is gedekt, zodat de wettelijke aansprakelijkheid waartoe dat voertuig aanleiding kan geven, binnen de grenzen van het Unierecht is gedekt (arrest van 4 september 2018, Juliana, C‑80/17, EU:C:2018:661, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 In dit verband zij eraan herinnerd dat het begrip „voertuig” in artikel 1, punt 1, van richtlijn 2009/103 wordt gedefinieerd als „alle rij- of voertuigen die bestemd zijn om zich anders dan langs spoorstaven over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, alsmede al dan niet aan de rij- of voertuigen gekoppelde aanhangwagens en opleggers”.

42 Zoals het Hof al meermaals heeft geoordeeld, staat deze definitie los van het gebruik dat wordt gemaakt of kan worden gemaakt van het betrokken voertuig (arrest van 4 september 2018, Juliana, C‑80/17, EU:C:2018:661, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Het Hof heeft ook reeds vastgesteld dat met een dergelijke definitie wordt gestreefd naar een objectieve opvatting van het begrip „voertuig”, die losstaat van de bedoeling van de eigenaar van het voertuig of van iemand anders om het effectief te gebruiken (arrest van 4 september 2018, Juliana, C‑80/17, EU:C:2018:661, punt 39).

44 Het Hof heeft overigens benadrukt dat de vraag naar de reikwijdte van de verplichting om een verzekering af te sluiten tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, met het oog op de rechtszekerheid vooraf dient te worden bepaald, dat wil zeggen vóór het voertuig mogelijk betrokken raakt bij een ongeval (arrest van 4 september 2018, Juliana, C‑80/17, EU:C:2018:661, punt 40).

45 Het Hof heeft daaruit afgeleid dat het feit dat het in de arresten van 4 september 2014, Vnuk (C‑162/13, EU:C:2014:2146), 28 november 2017, Rodrigues de Andrade (C‑514/16, EU:C:2017:908), en 20 december 2017, Núñez Torreiro (C‑334/16, EU:C:2017:1007), in essentie heeft geoordeeld dat alleen de gevallen waarin het verzekerde voertuig werd gebruikt als vervoermiddel en dat gebruik derhalve onder het begrip „deelneming aan het verkeer” in de zin van artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 viel, ertoe konden leiden dat de verzekeraar de door dit voertuig veroorzaakte schade vergoedt in het kader van een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering voor deelneming aan het verkeer van dit voertuig, geenszins betekent dat de verplichting om een dergelijke verzekeringsovereenkomst te sluiten moet worden vastgesteld op basis van het effectieve gebruik als vervoermiddel van het voertuig in kwestie op een bepaald moment (arrest van 4 september 2018, Juliana, C‑80/17, EU:C:2018:661, punt 41).

46 Het Hof heeft op basis van het voorgaande geconcludeerd dat een voertuig dat is ingeschreven en dus niet volgens de regels uit het verkeer is genomen en dat geschikt is voor de weg, onder het begrip „voertuig” in de zin van artikel 1, punt 1, van richtlijn 2009/103 valt, en bijgevolg niet wordt onttrokken aan de verzekeringsplicht in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn louter op grond van het feit dat de eigenaar niet meer voornemens is ermee te rijden en het op een privéterrein heeft gestald (arrest van 4 september 2018, Juliana, C‑80/17, EU:C:2018:661, punt 42). Bijgevolg is het sluiten van een verzekeringsovereenkomst tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van een motorrijtuig aanleiding kan geven, verplicht krachtens artikel 3, eerste alinea, van die richtlijn wanneer het voertuig in kwestie nog steeds in een lidstaat is ingeschreven en geschikt is voor de weg, maar de eigenaar, die niet voornemens is er nog mee te rijden, heeft beslist het op een privéterrein te stallen (arrest van 4 september 2018, Juliana, C‑80/17, EU:C:2018:661, punt 52).

47 Hetzelfde moet in beginsel gelden voor een voertuig dat in een lidstaat is ingeschreven, zich op een privéterrein bevindt en overeenkomstig de keuze van de eigenaar bestemd is voor de sloop, zelfs wanneer dit voertuig op een bepaald tijdstip wegens de technische staat ervan niet geschikt is voor de weg.

48 In de eerste plaats is, zoals in punt 43 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, het begrip „voertuig” in de zin van artikel 1, punt 1, van richtlijn 2009/103 immers een objectief begrip. De technische staat van een voertuig, en dus zijn geschiktheid voor de weg, kan in de loop van de tijd echter variëren en het eventuele herstel ervan hangt, althans in grote mate, af van subjectieve factoren, zoals met name de bereidheid van de eigenaar of van de houder ervan om de nodige reparaties uit te voeren of te laten uitvoeren en de beschikbaarheid van het daartoe benodigde budget. Indien het enkele feit dat een voertuig op een gegeven moment ongeschikt is voor de weg zou volstaan om dit zijn hoedanigheid van voertuig in de zin van artikel 1, punt 1, van richtlijn 2009/103 te ontnemen en dus zou volstaan om dit voertuig te onttrekken aan de verzekeringsplicht van artikel 3, eerste alinea, van deze richtlijn, zou bijgevolg afbreuk worden gedaan aan het objectieve karakter van het begrip „voertuig”.

49 In dit verband moet worden benadrukt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 59 van zijn conclusie heeft opgemerkt, uit de in de punten 44 en 45 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak voortvloeit dat de verzekeringsplicht als bedoeld in artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 geen verband houdt met het gebruik van het voertuig als vervoermiddel op een bepaald tijdstip, noch met de vraag of het betrokken voertuig in voorkomend geval schade heeft veroorzaakt.

50 Hieruit volgt dat, anders dan de verwijzende rechter overweegt, het enkele feit dat een geregistreerd voertuig op een bepaald moment niet geschikt is voor de weg wegens de technische staat ervan, ook al verkeert het in die staat vanaf de overdracht van het eigendomsrecht en is het dus in voorkomend geval ongeschikt om schade te veroorzaken die valt onder het begrip „deelneming aan het verkeer van voertuigen” in de zin van artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103, niet betekent dat het kan worden uitgesloten van de in die bepaling neergelegde verzekeringsplicht.

51 Aangezien het begrip „voertuig” overeenkomstig de in punt 43 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak losstaat van de bedoeling van de eigenaar of van een andere persoon om er daadwerkelijk gebruik van te maken, kan op grond van het feit dat die eigenaar of een andere persoon voornemens is dat voertuig te laten vernietigen evenmin worden geoordeeld dat dit voertuig louter door dat voornemen de hoedanigheid van „voertuig” in de zin van artikel 1, punt 1, van richtlijn 2009/103 verliest en aldus aan deze verzekeringsplicht ontsnapt, omdat ook dit zou indruisen tegen het objectieve karakter van dit begrip.

52 Indien de kwalificatie als „voertuig” in de zin van die bepaling en dus de omvang van de in artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 bedoelde verzekeringsplicht afhankelijk zouden worden gesteld van dergelijke subjectieve factoren, zou daarenboven tevens afbreuk worden gedaan aan de voorspelbaarheid, de stabiliteit en de continuïteit van deze verplichting, die evenwel moeten worden geëerbiedigd om de rechtszekerheid te waarborgen, zoals in wezen blijkt uit de in punt 44 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.

53 In de tweede plaats verplicht artikel 10, lid 1, van richtlijn 2009/103 de lidstaten weliswaar om een orgaan in te stellen dat tot taak heeft materiële schade of lichamelijk letsel die onder meer zijn veroorzaakt door een voertuig waarvoor niet aan de in artikel 3 van deze richtlijn bedoelde verzekeringsplicht is voldaan, ten minste binnen de grenzen van de in het Unierecht vastgestelde verzekeringsplicht te vergoeden, maar de vergoeding door een dergelijk orgaan is opgevat als een allerlaatste middel, waarin uitsluitend is voorzien in de in die bepaling bedoelde gevallen, en zij kan niet worden beschouwd als de toepassing van een regeling ter waarborging van de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven buiten de genoemde gevallen (arrest van 4 september 2018, Juliana, C‑80/17, EU:C:2018:661, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54 De reikwijdte van de verplichte tussenkomst door het in artikel 10, lid 1, bedoelde schadevergoedingsorgaan valt, wat de door een geïdentificeerd voertuig veroorzaakte schade betreft, namelijk samen met de reikwijdte van de algemene verzekeringsplicht van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2009/103, zodat verplichte tussenkomst van dit orgaan in die situatie dus niet kan worden uitgebreid tot de gevallen waarin het bij een ongeval betrokken voertuig niet onder de verzekeringsplicht valt (zie in die zin arrest van 4 september 2018, Juliana, C‑80/17, EU:C:2018:661, punt 46).

55 Hieruit volgt dat de eventuele tussenkomst van het in artikel 10, lid 1, bedoelde schadevergoedingsorgaan, waarin de lidstaten alleen op grond van het nationale recht in andere dan de in die bepaling genoemde omstandigheden mogen voorzien, niet in aanmerking kan worden genomen om de reikwijdte van de in artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 bedoelde verzekeringsplicht te bepalen.

56 Hieruit volgt tevens dat, aangezien de tussenkomst van dit orgaan op grond van richtlijn 2009/103 en voor een geïdentificeerd voertuig slechts is voorzien in de gevallen waarin het sluiten van de in artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 bedoelde verzekering verplicht is, de in punt 47 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging ook moet gelden om te verzekeren dat de doelstelling van bescherming van slachtoffers van een door motorrijtuigen veroorzaakt verkeersongeval wordt verwezenlijkt, aangezien deze uitlegging waarborgt dat deze slachtoffers in ieder geval schadeloos worden gesteld, hetzij door de verzekeraar op grond van een daartoe gesloten overeenkomst, hetzij door de in artikel 10 van richtlijn 2009/103 bedoelde orgaan wanneer niet is voldaan aan de verplichting om het bij het ongeval betrokken voertuig te verzekeren of wanneer dit voertuig niet is geïdentificeerd. In dit verband moet worden benadrukt dat deze doelstelling, beoogd in de opeenvolgende richtlijnen betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van dergelijke voertuigen aanleiding kan geven, door de wetgever van de Europese Unie voortdurend is nagestreefd en versterkt en in overweging 2 van richtlijn 2009/103 nog eens wordt bevestigd (zie in die zin arrest van 4 september 2018, Juliana, C‑80/17, EU:C:2018:661, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57 In de derde plaats kan met de in punt 47 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging ook zo goed mogelijk worden gezorgd voor de eerbiediging van de doelstelling die beoogt het vrije verkeer te waarborgen van voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied van de Unie gestald zijn, alsook van de inzittenden, wat een van de doelstellingen is die worden nagestreefd door de Uniewetgeving op het gebied van de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, zoals ook blijkt uit overweging 2 van richtlijn 2009/103. Zoals de advocaat-generaal in punt 41 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan immers enkel door een verhoogde bescherming te bieden aan eventuele slachtoffers van ongevallen die door motorrijtuigen zijn veroorzaakt, op grond van artikel 4 van richtlijn 2009/103 van de lidstaten worden verlangd om af te zien van systematische controles op de verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid van voertuigen die vanaf het grondgebied van een andere lidstaat hun grondgebied binnenkomen.

58 In de vierde plaats moet niettemin worden vastgesteld dat, ofschoon uit de registratie van een voertuig in beginsel blijkt dat het geschikt is voor de weg en dus om als vervoermiddel te worden gebruikt, niet kan worden uitgesloten dat een geregistreerd voertuig objectief gezien wegens de slechte technische staat ervan definitief ongeschikt is voor de weg. In een dergelijke omstandigheid moeten, om de in de punten 48 tot en met 52 van het onderhavige arrest uiteengezette overwegingen in acht te nemen, deze definitieve ongeschiktheid voor de weg en dus het verlies van de hoedanigheid van „voertuig” in de zin van artikel 1, punt 1, van richtlijn 2009/103, op objectieve wijze worden vastgesteld. Gelet op de in punt 46 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak is het dus, om een dergelijk voertuig van de in artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 bedoelde verzekeringsplicht uit te sluiten, noodzakelijk dat het overeenkomstig de toepasselijke nationale regeling officieel uit het verkeer is genomen.

59 Ofschoon de uitschrijving van het betrokken voertuig in dit verband een dergelijke objectieve vaststelling kan vormen, moet evenwel worden opgemerkt dat richtlijn 2009/103 niet regelt hoe een dergelijk voertuig, dat definitief ongeschikt is voor de functie van vervoermiddel, rechtmatig uit het verkeer kan worden genomen. Bijgevolg verbiedt deze richtlijn niet dat op een andere manier dan door de uitschrijving van het betrokken voertuig wordt vastgesteld dat een dergelijk voertuig volgens de toepasselijke nationale regeling rechtmatig uit het verkeer is genomen.

60 Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat een voertuig dat in een lidstaat is ingeschreven, onderworpen blijft aan de in artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 bedoelde verzekeringsplicht zolang het niet overeenkomstig de toepasselijke nationale regeling rechtmatig uit het verkeer is genomen.

61 In casu blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde voertuig in de litigieuze periode weliswaar op een bewaakt parkeerterrein was gestald en wegens zijn slechte technische staat ongeschikt was voor de weg, maar dat het nog steeds was geregistreerd in een lidstaat, waar het dus gewoonlijk was gestald in de zin van artikel 1, punt 4, onder a), van richtlijn 2009/103, en in die periode op geen enkel moment rechtmatig uit het verkeer was genomen overeenkomstig de toepasselijke nationale regeling. Dientengevolge blijkt, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, dat dit voertuig gedurende die gehele periode onder de in artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 neergelegde verzekeringsplicht was blijven vallen, ongeacht het feit dat het zich op een privéterrein bevond, dat het wegens de technische staat ervan niet geschikt was voor de weg en dat het district voornemens was dit voertuig naar de sloop te brengen.

62 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat het verplicht is een verzekering af te sluiten tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven wanneer het betrokken voertuig in een lidstaat is geregistreerd, indien dit voertuig niet rechtmatig uit het verkeer is genomen overeenkomstig de toepasselijke nationale regeling.

Kosten

63 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid moet aldus worden uitgelegd dat het verplicht is een verzekering af te sluiten tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het te sluiten verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven wanneer het betrokken voertuig in een lidstaat is geregistreerd, indien dit voertuig niet rechtmatig uit het verkeer is genomen overeenkomstig de toepasselijke nationale regeling.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Pools.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in