HvJ EU 15 december 2022, C-577/21, ECLI:EU:C:2022:992

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

15 december 2022 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven – Richtlijn 2009/103/EG – Artikel 3, vierde alinea – Begrip ‚lichamelijk letsel’ – Dekking door de verplichte verzekering – Verkeersongeval – Overlijden van een inzittende – Recht op schadevergoeding voor minderjarige kinderen – Immateriële schade – Leed van een kind vanwege het overlijden van een van zijn ouders ten gevolge van dat ongeval – Schadevergoeding uitsluitend in geval van gezondheidsschade”

In zaak C‑577/21,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 11 augustus 2021, ingekomen bij het Hof op 20 september 2021, in de procedure

LM,

NO

tegen

HUK-COBURG-Allgemeine Versicherung AG,

wijst

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, waarnemend voor de kamerpresident, I. Jarukaitis (rapporteur) en Z. Csehi, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– HUK-COBURG-Allgemeine Versicherung AG, vertegenwoordigd door G. I. Ilieva, advokat,

– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, U. Bartl, J. Heitz, M. Hellmann en U. Kühne als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Georgieva, D. Triantafyllou en H. Tserepa-Lacombe als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 1, van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1984, L 8, blz. 17), zoals gewijzigd bij richtlijn 2005/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 (PB 2005, L 149, blz. 14) (hierna: „Tweede richtlijn”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen LM en NO, enerzijds, en HUK-COBURG-Allgemeine Versicherung AG (hierna: „HUK-COBURG”), een verzekeringsonderneming, anderzijds, over de vergoeding door laatstgenoemde, uit hoofde van de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorvoertuigen aanleiding kan geven, van de immateriële schade die LM en NO hebben geleden ten gevolge van het overlijden van hun moeder bij een verkeersongeval.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Tweede richtlijn

3 Artikel 1, lid 1, van de Tweede richtlijn bepaalde: „De verzekering bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG [van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB 1972, L 103, blz. 1)] dekt zowel materiële schade als lichamelijk letsel.”

Richtlijn 2009/103

4 Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB 2009, L 263, blz. 11), heeft de reeds bestaande richtlijnen inzake de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, met inbegrip van de Tweede richtlijn, gecodificeerd en bijgevolg ingetrokken met ingang van 27 oktober 2009. Volgens de concordantietabel in bijlage II bij richtlijn 2009/103 komt artikel 1, lid 1, van de Tweede richtlijn overeen met artikel 3, vierde alinea, van richtlijn 2009/103.

5 Artikel 1 van richtlijn 2009/103 bevat de volgende definitie: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: […] 2. ‚benadeelden’: zij die recht hebben op vergoeding van door voertuigen veroorzaakte schade; […]”

6 Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Verplichte motorrijtuigenverzekering”, bepaalt: „Iedere lidstaat treft, onverminderd de toepassing van artikel 5, de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt. De dekking van de schade alsmede de voorwaarden van deze verzekering worden in de in de eerste alinea bedoelde maatregelen vastgesteld. […] De in de eerste alinea bedoelde verzekering dekt zowel materiële schade als lichamelijk letsel.”

7 Artikel 5 van die richtlijn, „Afwijking van de verplichting tot het afsluiten van een verzekering voor voertuigen”, bepaalt in lid 1, eerste alinea: „Iedere lidstaat kan afwijken van de bepalingen van artikel 3 ten aanzien van publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen, van wie door deze staat een lijst wordt opgemaakt, die aan de andere lidstaten en aan de Commissie wordt toegezonden.”

Verordening nr. 593/2008

8 Artikel 7 („Verzekeringsovereenkomsten”) van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6), bepaalt in lid 2, tweede alinea: „Voor zover het toepasselijke recht niet door de partijen is gekozen, wordt de verzekeringsovereenkomst beheerst door het recht van het land waar de verzekeraar zijn gewone verblijfplaats heeft. Indien uit alle omstandigheden van het geval blijkt dat de overeenkomst kennelijk nauwer verbonden is met een ander land, is het recht van dat andere land van toepassing.”

Verordening nr. 864/2007

9 Artikel 4, lid 1, van verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen („Rome II”) (PB 2007, L 199, blz. 40), luidt als volgt: „Tenzij in deze verordening anders bepaald, is het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen.”

Duits recht

10 § 253 („Immateriële schade”) van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „BGB”), luidt als volgt: „(1) Voor andere schade dan vermogensschade kan alleen in de bij wet bepaalde gevallen schadevergoeding in geld worden gevorderd. (2) Indien schadevergoeding verschuldigd is wegens lichamelijk letsel of aantasting van de gezondheid, de vrijheid of de seksuele zelfbeschikking, kan ook voor andere schade dan vermogensschade een billijke vergoeding in geld worden gevorderd.”

11 § 823 BGB, met als opschrift „Verplichting tot schadevergoeding”, bepaalt in lid 1: „Hij die opzettelijk of door nalatigheid wederrechtelijk inbreuk maakt op het leven, het lichaam, de gezondheid, de vrijheid, de eigendom of enig ander recht van een ander, is ten opzichte van de ander gehouden tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade.”

12 § 115 („Rechtstreekse vordering”) van het Gesetz über den Versicherungsvertrag (wet op de verzekeringsovereenkomst) van 23 november 2007 (BGBl. 2007 I, blz. 2631), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bepaalt in lid 1: „De derde kan zijn recht op schadevergoeding ook doen gelden tegen de verzekeraar, 1. indien er sprake is van een verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid, die strekt tot nakoming van een verzekeringsplicht uit hoofde van de wet op de verplichte verzekering […] […] Het recht vloeit voort uit de verplichtingen van de verzekeraar uit hoofde van de verzekeringsrelatie en, bij gebreke van enige verplichting, uit § 117, leden 1 tot en met 4. De verzekeraar moet de schadevergoeding in geld betalen. De verzekeraar en de vergoedingsplichtige verzekeringnemer zijn hoofdelijk aansprakelijk.”

13 § 7 („Aansprakelijkheid van de houder, onrechtmatig gebruik van een voertuig”) van het Straßenverkehrsgesetz (wegenverkeerswet), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bepaalt in lid 1: „Indien bij het gebruik van een motorvoertuig een persoon wordt gedood of lichamelijk letsel of schade aan zijn gezondheid oploopt, of een zaak wordt beschadigd, dient de houder de daaruit voortvloeiende schade aan de gelaedeerde te vergoeden.”

14 § 11 van de wegenverkeerswet, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, heeft als opschrift „Omvang van de verplichting tot vergoeding van lichamelijk letsel” en luidt als volgt: „In geval van lichamelijk letsel of schade aan de gezondheid moeten de kosten voor de genezing worden vergoed alsmede het financiële nadeel dat de gelaedeerde lijdt doordat hij als gevolg van het letsel tijdelijk of permanent geen of minder inkomsten kan verwerven of meer behoeften heeft. Voor andere schade dan vermogensschade kan ook een billijke vergoeding in geld worden gevorderd.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15 NO, geboren in 2006, en LM, geboren in 2010, zijn de dochters van AB, hun moeder, en CD, hun vader. Zij hebben allemaal de Bulgaarse nationaliteit.

16 In 2013 hebben AB en CD zich in Duitsland gevestigd om daar te werken, terwijl NO en LM in Bulgarije zijn gebleven.

17 Op 27 juli 2014 is AB overleden bij een verkeersongeval te Emsdetten (Duitsland). CD – die een verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid had afgesloten bij HUK-COBURG, een in Duitsland gevestigde verzekeringsonderneming – heeft dat ongeval veroorzaakt. Hij bestuurde zijn voertuig in dronken toestand, terwijl AB op de voorpassagiersstoel zat en haar veiligheidsgordel niet had vastgemaakt.

18 Na het ongeval heeft HUK-COBURG aan NO en LM 5000 EUR betaald ter vergoeding van de schade in verband met het overlijden van hun moeder. Aangezien NO en LM dit bedrag ontoereikend achtten, hebben zij, vertegenwoordigd door CD, bij de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije), de verwijzende rechter, een vordering tegen HUK-COBURG ingesteld die strekte tot betaling van een bedrag van 300000 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 153000 EUR) voor elk van hen ter vergoeding van de immateriële schade als gevolg van dat overlijden. Deze schade is het gevolg van aantasting van hun geestelijke gezondheid, aangezien NO en LM lijden aan slapeloosheid, nachtmerries, stemmingswisselingen, prikkelbaarheid, angstgevoelens, introversie en paniekaanvallen.

19 HUK-COBURG betwist de gegrondheid van deze vordering en voert voor de verwijzende rechter om te beginnen aan dat het Duitse recht in casu van toepassing is en dat de ten tijde van het ongeval toepasselijke versie van dit recht niet voorzag in de vergoeding van de door derden geleden immateriële schade, tenzij die schade bestond in een pathologische stoornis. Pas sinds 22 juli 2017 voorziet het Duitse recht in de vergoeding van de door derden geleden immateriële schade, indien zij bijzonder nauwe banden met het slachtoffer hadden. Voorts heeft het slachtoffer bijgedragen tot haar overlijden door zich te verplaatsen in een voertuig waarvan de bestuurder dronken was en door haar veiligheidsgordel niet te dragen. Ten slotte is het bedrag van de door NO en LM gevorderde schadevergoedingen buitensporig.

20 De verwijzende rechter is van oordeel dat op grond van artikel 7, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 593/2008 en artikel 4, lid 1, van verordening nr. 864/2007, het Duitse recht van toepassing is op het bij hem aanhangige geding.

21 Die rechter wijst erop dat volgens vaste rechtspraak van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) schadevergoeding voor pijn en leed ten gevolge van het overlijden van een van de ouders naar Duits recht – namelijk § 253, lid 2, en § 823, lid 1, BGB, gelezen in samenhang met § 115, lid 1, eerste alinea, punt 1, van de wet op de verzekeringsovereenkomst, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding – slechts moet worden betaald indien de pijn en het leed tot gezondheidsschade hebben geleid.

22 Krachtens deze uitlegging zou de verwijzende rechter de vordering van NO en LM dus moeten afwijzen op grond dat de pijn en het leed ten gevolge van het overlijden van hun moeder niet tot een aandoening hebben geleid.

23 De verwijzende rechter is echter van oordeel dat de rechtspraak van het Bundesgerichtshof de reikwijdte van het begrip „lichamelijk letsel” in de zin van de Tweede richtlijn beperkt.

24 Die rechter vraagt zich derhalve af of deze uitlegging van het Bundesgerichtshof, waardoor de kring van personen die in aanmerking komen voor vergoeding van immateriële schade ten gevolge van het overlijden van een naaste na een verkeersongeval, in de praktijk wordt verkleind, niet onverenigbaar is met het Unierecht, aangezien die uitlegging de nuttige werking van de Tweede richtlijn lijkt te beperken.

25 In de wetenschap dat de nationale rechter verplicht is om het nationale recht conform het Unierecht uit te leggen, vraagt die rechter zich voorts af of hij, in het kader van de eventuele toepassing van dit beginsel op het bij hem aanhangige geding, als Bulgaars rechter het recht van een andere lidstaat, namelijk het Duitse recht, mag uitleggen.

26 Daarop heeft de Sofiyski gradski sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Is een uitlegging van het begrip ‚lichamelijk letsel’ volgens welke de psychische pijn en het psychisch lijden van een kind door het overlijden van een van zijn ouders als gevolg van een verkeersongeval slechts onder dit begrip valt indien het kind door deze pijn en dit lijden een gezondheidsaandoening heeft opgelopen, in strijd met artikel 1, lid 1, van de [Tweede richtlijn]? 2) Geldt het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht door een nationale rechterlijke instantie wanneer de nationale rechterlijke instantie niet haar eigen nationale recht toepast, maar het nationale recht van een andere lidstaat van de Europese Unie?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

27 Vooraf zij opgemerkt dat de verwijzende rechter in zijn eerste vraag verwijst naar artikel 1, lid 1, van de Tweede richtlijn.

28 In dit verband blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, het Hof tot taak heeft de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Voorts heeft het Hof tot taak alle bepalingen van Unierecht uit te leggen die noodzakelijk zijn voor de beslechting van de bij nationale rechterlijke instanties aanhangige gedingen, ook wanneer die bepalingen niet uitdrukkelijk worden genoemd in de door die rechterlijke instanties gestelde vragen [arrest van 21 december 2021, Skarb Państwa (Dekking van de motorrijtuigenverzekering), C‑428/20, EU:C:2021:1043, punt 24].

29 Aangezien richtlijn 2009/103 de eerdere richtlijnen inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, waaronder de Tweede richtlijn, met ingang van 27 oktober 2009 heeft gecodificeerd en ingetrokken, en artikel 1, lid 1, van de Tweede richtlijn volgens de tabel in bijlage II bij richtlijn 2009/103 overeenkomt met artikel 3, vierde alinea, van laatstgenoemde richtlijn, moet aan de verwijzende rechter in casu, gelet op de datum waarop het ongeval heeft plaatsgevonden dat ten grondslag ligt aan het hoofdgeding, niet een uitlegging van artikel 1, lid 1, van de Tweede richtlijn worden verstrekt, maar een uitlegging van artikel 3, vierde alinea, van richtlijn 2009/103. Gelet op het feit dat deze eerdere richtlijnen niet wezenlijk zijn gewijzigd bij richtlijn 2009/103, kan voorts de rechtspraak betreffende die eerdere richtlijnen worden toegepast op de uitlegging van de overeenkomstige bepalingen van richtlijn 2009/103 (zie in die zin arrest van 10 juni 2021, Van Ameyde España, C‑923/19, EU:C:2021:475, punt 23).

30 Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 3, vierde alinea, van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de vergoeding, door de verzekeraar van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, van de immateriële schade die naaste familieleden van slachtoffers van verkeersongevallen hebben geleden, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat deze schade een gezondheidsaandoening bij deze familieleden heeft veroorzaakt.

31 Volgens artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103 treft iedere lidstaat, onverminderd de toepassing van artikel 5 van deze richtlijn, de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt. Artikel 3, tweede alinea, van die richtlijn bepaalt dat de dekking van de schade alsmede de voorwaarden van deze verzekering worden vastgesteld in de in de eerste alinea van dit artikel 3 bedoelde maatregelen. In artikel 3, laatste alinea, van die richtlijn is aangegeven dat de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde verzekering zowel materiële schade als lichamelijk letsel dekt. Artikel 5, lid 1, van richtlijn 2009/103 bepaalt onder meer dat iedere lidstaat onder de in deze bepaling genoemde voorwaarden kan afwijken van de bepalingen van artikel 3 ten aanzien van bepaalde natuurlijke of rechtspersonen.

32 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat, zoals het Hof reeds heeft benadrukt, artikel 3, eerste alinea, van richtlijn 2009/103, dat in zeer algemene bewoordingen is geformuleerd, de lidstaten verplicht in hun nationale rechtsorde een algemene verplichting tot het verzekeren van motorrijtuigen op te nemen (arrest van 10 juni 2021, Van Ameyde España, C‑923/19, EU:C:2021:475, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Uit de overwegingen van richtlijn 2009/103 blijkt dat deze richtlijn, net als de eerdere richtlijnen betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, enerzijds het vrije verkeer beoogt te waarborgen, zowel van gewoonlijk op het grondgebied van de Unie gestalde motorrijtuigen als van de inzittenden, en anderzijds wil verzekeren dat de slachtoffers van door deze motorrijtuigen veroorzaakte ongevallen een vergelijkbare behandeling krijgen, ongeacht de plaats in de Unie waar het ongeval zich heeft voorgedaan (arrest van 10 juni 2021, Van Ameyde España, C‑923/19, EU:C:2021:475, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Richtlijn 2009/103 verplicht de lidstaten dus om ervoor te zorgen dat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen die gewoonlijk op hun grondgebied zijn gestald, door een verzekering wordt gedekt, en vermeldt met name welke soorten schade en welke derden die het slachtoffer van een ongeval zijn, door deze verzekering moeten worden gedekt (arrest van 10 juni 2021, Van Ameyde España, C‑923/19, EU:C:2021:475, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 De verplichting om bij wege van een wettelijkeaansprakelijkheidsverzekering de door motorrijtuigen aan derden veroorzaakte schade te dekken, moet worden onderscheiden van de omvang van die schadeloosstelling uit hoofde van de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde. Terwijl de verplichte dekking is vastgesteld en gewaarborgd door de regeling van de Unie, wordt de omvang van de schadeloosstelling immers hoofdzakelijk door het nationale recht bepaald (arrest van 10 juni 2021, Van Ameyde España, C‑923/19, EU:C:2021:475, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 Uit het doel en de bewoordingen van richtlijn 2009/103 blijkt namelijk dat deze richtlijn er, net als de richtlijnen die zij codificeert, niet toe strekt de wettelijkeaansprakelijkheidsregelingen van de lidstaten te harmoniseren en dat de lidstaten bij de huidige stand van het Unierecht bevoegd blijven om te bepalen welke regeling inzake wettelijke aansprakelijkheid geldt voor ongevallen ten gevolge van de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen (arrest van 10 juni 2021, Van Ameyde España, C‑923/19, EU:C:2021:475, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37 Gelet op in het bijzonder artikel 1, punt 2, van richtlijn 2009/103 blijven de lidstaten bij de huidige stand van het Unierecht in beginsel dus vrij om met name te bepalen welke soorten door motorrijtuigen veroorzaakte schade moeten worden vergoed, wat de omvang van de vergoeding is en wie recht op die vergoeding heeft (zie in die zin arrest van 10 juni 2021, Van Ameyde España, C‑923/19, EU:C:2021:475, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze richtlijn verzet zich in beginsel dus niet tegen een nationale regeling die bindende criteria vaststelt voor de begroting van de immateriële schade die voor vergoeding in aanmerking komt (zie in die zin arrest van 23 januari 2014, Petillo, C‑371/12, EU:C:2014:26, punt 43).

38 Deze vrijheid wordt evenwel door die richtlijn beperkt, aangezien zij, ten eerste, de dekking van bepaalde soorten schade verplicht stelt ten belope van daarin vastgestelde minimumbedragen. Volgens artikel 3, laatste alinea, van richtlijn 2009/103 moet onder meer „lichamelijk letsel” verplicht worden gedekt (zie in die zin arrest van 23 januari 2014, Petillo, C‑371/12, EU:C:2014:26, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39 Het begrip „lichamelijk letsel” omvat alle soorten schade waarvoor het op het geding toepasselijke nationale recht voorziet in vergoeding uit hoofde van de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde en die het gevolg is van een aantasting van de persoonlijke integriteit, wat zowel lichamelijk als psychisch lijden omvat (arrest van 23 januari 2014, Petillo, C‑371/12, EU:C:2014:26, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 Tot de schade die krachtens richtlijn 2009/103 moet worden vergoed, behoort bijgevolg de immateriële schade waarvoor in het op het geding toepasselijke nationale recht is voorzien in vergoeding uit hoofde van de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde (zie in die zin arrest van 23 januari 2014, Petillo, C‑371/12, EU:C:2014:26, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 Wat ten tweede de vraag betreft welke personen krachtens richtlijn 2009/103 aanspraak kunnen maken op vergoeding van die immateriële schade, moet worden vastgesteld dat uit artikel 1, punt 2, juncto artikel 3, eerste alinea, van deze richtlijn volgt dat de bescherming die krachtens die richtlijn moet worden geboden, geldt voor eenieder die overeenkomstig het nationale recht inzake wettelijke aansprakelijkheid recht heeft op vergoeding van door motorrijtuigen veroorzaakte schade. Niets in richtlijn 2009/103 wijst erop dat de Uniewetgever de door deze richtlijn geboden bescherming heeft willen beperken tot personen die rechtstreeks bij een schadegeval waren betrokken (zie in die zin arrest van 24 oktober 2013, Drozdovs, C‑277/12, EU:C:2013:685, punten 42 en 45).

42 Bijgevolg moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de vergoeding die volgens hun recht inzake wettelijke aansprakelijkheid verschuldigd is voor de immateriële schade die de naaste familieleden van slachtoffers van verkeersongevallen hebben geleden, wordt gedekt door de verplichte verzekering ten belope van de in richtlijn 2009/103 vastgestelde minimumbedragen (zie in die zin arrest van 24 oktober 2013, Drozdovs, C‑277/12, EU:C:2013:685, punt 46).

43 Uit de in de punten 39 tot en met 43 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen volgt dat de lidstaten in de nationale rechtsorde moeten garanderen dat de naar hun nationaal recht geldende wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, wordt gedekt door een verzekering die voldoet aan de vereisten van de in die punten genoemde bepalingen van richtlijn 2009/103, en dat zij bij de uitoefening van hun bevoegdheden op dit gebied het Unierecht in acht moeten nemen. Voorts mogen de nationale bepalingen die de vergoeding regelen van schade die is veroorzaakt door ongevallen ten gevolge van de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen, deze richtlijn niet haar nuttige werking ontnemen (zie in die zin arrest van 10 juni 2021, Van Ameyde España, C‑923/19, EU:C:2021:475, punten 39 en 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44 In dit verband heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat de Unierechtelijke bepalingen met betrekking tot de verplichte wettelijkeaansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale regelingen die de nuttige werking van deze bepalingen ondermijnen door het recht van het slachtoffer om te worden vergoed door de verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, bij voorbaat uit te sluiten of op onevenredige wijze te beperken, aangezien die regelingen daarmee afbreuk doen aan de door de Uniewetgever voortdurend nagestreefde en versterkte doelstelling om slachtoffers van verkeersongevallen te beschermen (zie in die zin arrest van 10 juni 2021, Van Ameyde España, C‑923/19, EU:C:2021:475, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 In het onderhavige geval moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de Duitse regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, zoals uitgelegd door het Bundesgerichtshof, behoort tot het nationale materiële recht inzake de wettelijke aansprakelijkheid waarnaar richtlijn 2009/103 verwijst. Voorts blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat deze aldus uitgelegde regeling ook de vergoeding regelt van de door derden geleden immateriële schade, met inbegrip van de pijn en het leed van een kind door het overlijden van een van zijn ouders ten gevolge van een verkeersongeval, en de schade omschrijft die recht geeft op vergoeding van dergelijke schade door de wettelijkeaansprakelijkheidsverzekering, ongeacht de omstandigheden waarin de schade is ontstaan.

46 In de tweede plaats moet naar Duits recht, zoals de Duitse regering in haar opmerkingen beklemtoont, voor de vergoeding van de immateriële schade die indirecte slachtoffers van een verkeersongeval hebben geleden, in wezen worden voldaan aan drie voorwaarden, te weten: een dergelijk slachtoffer moet schade aan zijn eigen gezondheid hebben opgelopen; hij moet een naast familielid van het directe slachtoffer zijn en er moet een oorzakelijk verband bestaan tussen de fout van degene die verantwoordelijk is voor het ongeval en deze schade. Voorts legt de Duitse regering met betrekking tot de eerste van deze voorwaarden de nadruk op het feit dat volgens het Duitse recht, zoals uitgelegd door het Bundesgerichtshof, psychische aantastingen slechts als gezondheidsschade kunnen worden beschouwd indien zij moeten worden opgevat als een aandoening en ingrijpender zijn dan de aantastingen van de gezondheid waaraan de betrokken personen doorgaans zijn blootgesteld in geval van overlijden of ernstig letsel van een naast familielid.

47 Aldus voorziet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling in het bijzonder in een objectief criterium aan de hand waarvan kan worden bepaald, in voorkomend geval in het kader van een toetsing per geval door een aangezochte nationale rechterlijke instantie, welke immateriële schade van een naast familielid van het directe slachtoffer van een verkeersongeval voor vergoeding in aanmerking komt.

48 Uit de in de punten 36 en 37 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof volgt immers dat richtlijn 2009/103 niet oplegt welke specifieke wettelijkeaansprakelijkheidsregeling de lidstaten moeten kiezen teneinde de omvang te bepalen van het recht van het slachtoffer op schadevergoeding uit hoofde van de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde, zodat deze richtlijn in beginsel niet in de weg staat aan een nationale regeling die bindende criteria vastlegt voor de vaststelling van de voor vergoeding in aanmerking komende immateriële schade.

49 In die omstandigheden blijkt in het onderhavige geval niet dat de door de Duitse wetgever vastgestelde voorwaarden – zoals uitgelegd door het Bundesgerichtshof – voor het ontstaan van een recht op schadevergoeding voor immateriële schade die naaste familieleden van slachtoffers van verkeersongevallen hebben geleden, afbreuk kunnen doen aan de verwezenlijking van het doel van richtlijn 2009/103 om slachtoffers van verkeersongevallen te beschermen.

50 Niets in het aan het Hof overgelegde dossier wijst er immers op dat een wettelijkeaansprakelijkheidsregeling als aan de orde in het hoofdgeding het recht van een naast familielid van het directe slachtoffer van een verkeersongeval om vergoeding van de immateriële schade te verkrijgen uit hoofde van de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, bij voorbaat zou uitsluiten of op onevenredige wijze zou beperken.

51 Uit de bovenstaande overwegingen volgt dat artikel 3, vierde alinea, van richtlijn 2009/103 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die de vergoeding, door de verzekeraar van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, van de immateriële schade die naaste familieleden van slachtoffers van verkeersongevallen hebben geleden, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat deze schade bij die naaste familieleden tot een gezondheidsaandoening heeft geleid.

Tweede vraag

52 Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

53 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3, vierde alinea, van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich niet verzet tegen een nationale regeling die de vergoeding, door de verzekeraar van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, van de immateriële schade die naaste familieleden van slachtoffers van verkeersongevallen hebben geleden, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat deze schade bij die naaste familieleden tot een gezondheidsaandoening heeft geleid.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Bulgaars.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in