Art. 4 Richtlijn 2009/100/EG

Richtlijn 2009/100/EG

1. Iedere lidstaat kan de geldigheid van een door hem afgegeven scheepsattest schorsen.

2. Iedere lidstaat kan de vaart onderbreken van een schip dat bij inspectie in een zodanige staat blijkt te verkeren dat het een gevaar betekent voor zijn omgeving, totdat de geconstateerde gebreken zijn opgeheven. Hij kan dit eveneens doen wanneer bij de inspectie blijkt dat het schip of de uitrusting ervan niet voldoet aan de voorschriften van het scheepsattest dan wel van de andere in artikel 3 genoemde documenten.

3. Een lidstaat die de vaart van een schip heeft onderbroken, of het voornemen te kennen heeft gegeven zulks te doen indien de geconstateerde gebreken niet worden opgeheven, stelt de bevoegde instanties van de lidstaat waarin het scheepsattest of de andere in artikel 3 genoemde documenten zijn afgegeven in kennis van de redenen van de beslissing die hij heeft genomen of voornemens is te nemen.

4. Elke beslissing tot onderbreking van de vaart krachtens de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen wordt nauwkeurig gemotiveerd. Zij wordt ter kennis van de betrokkene gebracht met vermelding van de door de wetgeving van de lidstaten geboden mogelijkheden tot beroep en van de termijnen waarbinnen dit beroep kan worden aangetekend.

Vorige artikelen

Volgende artikelen