Art. 56 Verordening (EG) nr. 450/2008, Algemene bepalingen

Verordening (EG) nr. 450/2008

1. Dit hoofdstuk heeft betrekking op de zekerheidstelling voor zowel douaneschulden die reeds zijn ontstaan als die welke kunnen ontstaan, tenzij anders bepaald.

2. De douaneautoriteiten kunnen zekerheidstelling eisen om de betaling van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan in- of uitvoerrechten te garanderen. Indien de bepalingen ter zake die mogelijkheid bieden, kan de zekerheidstelling ook andere lasten dekken, overeenkomstig andere toepasselijke voorschriften.

3. Indien de douaneautoriteiten eisen dat zekerheid wordt gesteld, dient deze te worden gesteld door de schuldenaar of door de persoon die de schuldenaar kan worden. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat zekerheid wordt gesteld door een andere persoon dan die van wie de zekerheidstelling wordt geëist.

4. Onverminderd artikel 64, eisen de douaneautoriteiten voor bepaalde goederen of een bepaalde aangifte slechts één zekerheidstelling.

De voor een bepaalde aangifte gestelde zekerheid geldt voor het met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan in- of uitvoerrechten en andere heffingen ten aanzien van alle onder die aangifte vallende of vrijgegeven goederen, ongeacht of deze aangifte juist is.

Indien de zekerheidstelling niet is vrijgegeven, kan ze ook worden gebruikt, binnen de grenzen van het bedrag waarvoor zekerheid is gesteld, voor de invordering van bedragen aan in- of uitvoerrechten en andere heffingen die verschuldigd worden bij een controle achteraf.

5. Op verzoek van de in lid 3 van dit artikel bedoelde persoon kunnen de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 62, leden 1 en 2, toestaan dat een doorlopende zekerheid wordt gesteld ter dekking van het met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan in- of uitvoerrechten voor twee of meer transacties, aangiften of douaneregelingen.

6. Er wordt geen zekerheidstelling geëist van staten, regionale en plaatselijke overheidsinstanties of andere publiekrechtelijke lichamen in verband met de activiteiten die zij als overheid uitoefenen.

7. De douaneautoriteiten kunnen afzien van de eis tot zekerheidstelling indien het bedrag van de zeker te stellen in- of uitvoerrechten niet hoger is dan de overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1172/95 van de Raad van 22 mei 1995 betreffende de statistieken van het goederenverkeer van de Gemeenschap en haar lidstaten met derde landen (13) vastgestelde statistische drempel voor aangiften.

8. Een door de douaneautoriteiten aanvaarde of toegestane zekerheid is geldig voor het gehele douanegebied van de Gemeenschap voor de doeleinden waarvoor zij is gesteld.

9. Maatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening door haar aan te vullen, die:

— voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van dit artikel,

— andere dan in lid 6 van dit artikel genoemde gevallen waarin geen zekerheidstelling wordt geëist,

— uitzonderingen op lid 8 van dit artikel,

vastleggen, worden vastgesteld volgens de in artikel 184, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.