Art. 16 Verordening (EG) nr. 450/2008, Algemene bepalingen
1. Indien een persoon de douaneautoriteiten om een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving verzoekt, verstrekt hij alle door die autoriteiten gevraagde inlichtingen die het voor hen mogelijk maken om een beschikking te treffen.
Een beschikking mag ook worden aangevraagd door en gericht worden tot verschillende personen, overeenkomstig de in de douanewetgeving vastgelegde voorwaarden.
2. Tenzij in de douanewetgeving anders bepaald, wordt een beschikking als bedoeld in lid 1 onverwijld en uiterlijk vier maanden na de datum waarop de douaneautoriteiten alle voor de beschikking benodigde inlichtingen en bescheiden hebben ontvangen, getroffen en aan de aanvrager meegedeeld.
Indien de douaneautoriteiten deze termijn evenwel niet kunnen naleven, stellen zij de aanvrager daarvan in kennis vóór het verstrijken van de termijn, met opgave van de redenen en van de nieuwe termijn die zij nodig achten om een beschikking te treffen.
3. Tenzij in de beschikking of de douanewetgeving anders bepaald, wordt de beschikking van kracht op de datum waarop de aanvrager de beschikking ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen. Met uitzondering van de in artikel 24, lid 2, bedoelde gevallen zijn de getroffen beschikkingen vanaf die datum uitvoerbaar door de douaneautoriteiten.
4. Voordat een voor de geadresseerde ongunstige beschikking wordt getroffen, delen de douaneautoriteiten hem mede op welke gronden zij voornemens zijn hun beschikking te baseren. De geadresseerde wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken binnen een vastgestelde termijn, die aanvangt op de datum van de mededeling.
Na het verstrijken van deze termijn wordt aan de geadresseerde in de passende vorm mededeling gedaan van de beschikking die met redenen is omkleed. In de beschikking wordt melding gemaakt van de mogelijkheid tot beroep als bepaald in artikel 23.
5. Maatregelen tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening door haar aan te vullen, die:
a) de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder lid 4, eerste alinea, niet van toepassing is;
b) de in lid 4, eerste alinea, genoemde termijn;
vastleggen, worden vastgesteld volgens de in artikel 184, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.
6. Onverminderd bepalingen op andere gebieden tot vaststelling van de gevallen waarin en de omstandigheden waaronder beschikkingen geen werking hebben of hun werking verliezen, kunnen de douaneautoriteiten die een beschikking hebben getroffen, deze op elk moment nietig verklaren, wijzigen of intrekken indien zij niet in overeenstemming is met de douanewetgeving.
7. Tenzij een douaneautoriteit als gerechtelijke autoriteit optreedt, gelden de bepalingen van de leden 3, 4 en 6 van dit artikel en van de artikelen 17, 18 en 19 ook voor beschikkingen van de douaneautoriteiten zonder voorafgaand verzoek van de belanghebbende, en met name voor de mededeling van een douaneschuld als bedoeld in artikel 67, lid 3.