Art. 17 Richtlijn 2008/1/EG, Uitwisseling van informatie

Richtlijn 2008/1/EG

1. Met het oog op uitwisseling van informatie treffen de lidstaten de nodige maatregelen om de Commissie om de drie jaar en voor het eerst vóór 30 april 2001 in kennis te stellen van de representatieve gegevens over de beschikbare grenswaarden die zijn vastgesteld per activiteitencategorie van bijlage I en in voorkomend geval van de beste beschikbare technieken waarop die waarden zijn gebaseerd, met name in overeenstemming met de bepalingen van artikel 9. Voor de latere kennisgevingen wordt die informatie aangevuld volgens de procedures van lid 3 van dit artikel.

2. De Commissie organiseert de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de betrokken bedrijfstakken over de beste beschikbare technieken, de daarmee samenhangende controlevoorschriften en de ontwikkelingen op dat gebied.

De Commissie maakt de resultaten van de informatie-uitwisseling om de drie jaar bekend.

3. Elke drie jaar, voor de eerste maal met betrekking tot de periode van 30 oktober 1999 tot en met 30 oktober 2002, dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in over de uitvoering van deze richtlijn. Dit verslag wordt opgesteld aan de hand van een vragenlijst of schema, uitgewerkt door de Commissie volgens de procedure van artikel 6, lid 2 van Richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied (17). De vragenlijst of het schema wordt zes maanden voor de aanvang van de verslagperiode aan de lidstaten toegezonden. Het verslag wordt aan de Commissie voorgelegd binnen negen maanden na de periode van drie jaar waarop het betrekking heeft.

Binnen negen maanden na de ontvangst van de verslagen van de lidstaten publiceert de Commissie een communautair verslag over de uitvoering van de richtlijn in de Gemeenschap.

De Commissie legt dit communautair verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad; in voorkomend geval worden voorstellen bijgevoegd.

4. De lidstaten stellen de autoriteit of autoriteiten in die met de uitwisseling van informatie ingevolge de leden 1, 2 en 3 zijn belast of wijzen die aan en stellen de Commissie daarvan in kennis.