Art. 164 Integrale-GMO-verordening, Vaststelling van de restitutie bij uitvoer

Verordening (EG) nr. 1234/2007 (Integrale-GMO-verordening)

1. De uitvoerrestituties zijn voor de gehele Gemeenschap gelijk. Zij kunnen naar gelang van de bestemming worden gedifferentieerd, met name indien dit noodzakelijk is wegens de situatie op de wereldmarkt, de specifieke vereisten van bepaalde markten of de verplichtingen die voortvloeien uit volgens artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten.

2. De Commissie stelt de restituties vast.

De uitvoerrestituties kunnen:

a) periodiek worden vastgesteld;

b) door middel van een openbare inschrijving worden vastgesteld voor de producten waarvoor deze procedure gold voordat deze verordening van toepassing werd ingevolge artikel 204, lid 2.

Behalve bij vaststelling via openbare inschrijving worden de lijst van producten waarvoor een uitvoerrestitutie wordt toegekend en het bedrag van deze restitutie ten minste eenmaal per drie maanden vastgesteld. Het bedrag van de restituties kan echter gedurende meer dan drie maanden op hetzelfde niveau gehandhaafd blijven en zo nodig in de tussentijd door de Commissie op verzoek van een lidstaat dan wel op initiatief van de Commissie worden gewijzigd, zonder dat de Commissie de hulp inroept van het Comité, bedoeld in artikel 195, lid 1.

3. Bij de vaststelling van restituties voor een bepaald product wordt rekening gehouden met één of meer van de volgende aspecten:

a) de situatie en de vooruitzichten inzake:

— de prijzen en de beschikbaarheid van dat product op de markt van de Gemeenschap,

— de prijzen van dat product op de wereldmarkt;

b) de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening, namelijk te zorgen voor een evenwichtige situatie van de betrokken markten en een natuurlijke ontwikkeling inzake prijzen en handelsverkeer;

c) de noodzaak om storingen die het evenwicht tussen aanbod en vraag op de markt van de Gemeenschap langdurig kunnen verstoren, te vermijden;

d) het economische aspect van de beoogde uitvoer;

e) de limieten die voortvloeien uit volgens artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten;

f) de noodzaak om een evenwicht tot stand te brengen tussen het gebruik van basisproducten uit de Gemeenschap voor uitvoer van verwerkte goederen naar derde landen en het gebruik van tot het veredelingsverkeer toegelaten producten uit deze landen;

g) de gunstigste afzetkosten en vervoerkosten vanaf de markten van de Gemeenschap tot de havens of andere plaatsen van uitvoer van de Gemeenschap, alsmede de aanvoerkosten tot de landen van bestemming;

h) de vraag op de markt van de Gemeenschap;

i) wat de sectoren varkensvlees, eieren en vlees van pluimvee betreft, het verschil tussen de prijzen in de Gemeenschap enerzijds en op de wereldmarkt anderzijds, van de hoeveelheid voedergranen die nodig is om de producten van die sectoren in de Gemeenschap te vervaardigen.

4. De Commissie kan voor de sectoren granen en rijst een correctiebedrag voor de uitvoerrestituties vaststellen. Zo nodig kan zij deze correctiebedragen ook wijzigen, zonder de hulp van het Comité, bedoeld in artikel 195, lid 1.

De eerste alinea kan ook worden toegepast op producten die worden uitgevoerd in de vorm van in bijlage XX genoemde goederen.