HvJ EU 20 september 2017, C-183/16, ECLI:EU:C:2017:704

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

20 september 2017 ( *1 )

„Hogere voorziening – Landbouw – Vlees van pluimvee – Bevroren kippen – Restituties bij uitvoer – Uitvoeringsverordening (EU) nr. 689/2013 die de restitutie op 0 EUR vaststelt – Rechtmatigheid – Verordening (EG) nr. 1234/2007 – Artikelen 162 en 164 – Voorwerp en aard van de restituties – Criteria voor de vaststelling van de bedragen ervan – Bevoegdheid van de directeur-generaal van het directoraat-generaal (DG) Landbouw en Plattelandsontwikkeling om de litigieuze verordening te ondertekenen – Misbruik van bevoegdheid – ‚Comitologie’ – Verordening (EU) nr. 182/2011 – Artikel 3, lid 3 – Raadpleging van het beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten – Indiening van het ontwerp van uitvoeringsverordening tijdens de vergadering van dit comité – Inachtneming van de termijnen – Schending van wezenlijke vormvoorschriften – Nietigverklaring met handhaving van de gevolgen”

In zaak C‑183/16 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 23 maart 2016,

Tilly-Sabco SAS, gevestigd te Guerlesquin (Frankrijk), vertegenwoordigd door R. Milchior, F. Le Roquais en S. Charbonnel, avocats,

verzoekster,

andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Lewis en K. Skelly als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

Doux SA, gevestigd te Châteaulin (Frankrijk),

interveniënte in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev (rapporteur), C. G. Fernlund en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: K. Malacek, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 1 maart 2017,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 mei 2017,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening verzoekt Tilly-Sabco SAS om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 14 januari 2016, Tilly-Sabco/Commissie (T‑397/13, EU:T:2016:8; hierna: „bestreden arrest”), waarbij haar beroep is verworpen strekkende tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 689/2013 van de Commissie van 18 juli 2013 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee (PB 2013, L 196, blz. 13; hierna: „litigieuze verordening”).

Toepasselijke bepalingen

Verordening nr. 1234/2007

2 Overwegingen 65 en 77 van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”) (PB 2007, L 299, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 517/2013 van de Raad van 13 mei 2013 (PB 2013, L 158, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1234/2007”) luidden: „(65) Als gevolg van de eenmaking van de [interne] markt [van de Unie] is aan de buitengrenzen van de [Unie] een regeling van het handelsverkeer nodig. In beginsel kan de [interne] markt worden gestabiliseerd door een regeling van het handelsverkeer die invoerrechten en uitvoerrestituties omvat. De regeling moet gebaseerd zijn op de verbintenissen die zijn aangegaan tijdens de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde. […] (77) De deelname van de [Unie] aan de internationale handel in bepaalde onder deze verordening vallende producten moet worden veiliggesteld door middel van bepalingen inzake de toekenning van restituties bij uitvoer naar derde landen, die op het verschil tussen de prijzen in de [Unie] en op de wereldmarkt zijn gebaseerd en binnen de grenzen blijven van de verbintenissen die de [Unie] in het kader van de WTO is aangegaan. De gesubsidieerde uitvoer moet, wat waarde en hoeveelheid betreft, worden beperkt.”

3 Artikel 162, lid 1, van verordening nr. 1234/2007 bepaalde met name: „Voor zover nodig om te kunnen uitvoeren op basis van de noteringen of de prijzen op de wereldmarkt en binnen de grenzen die voortvloeien uit de overeenkomsten die volgens [artikel 218 VWEU] zijn gesloten, kan het verschil tussen deze noteringen of prijzen en de prijzen in de [Unie] worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer voor: a) de producten van de volgende sectoren die in ongewijzigde staat worden uitgevoerd: […] viii) vlees van pluimvee”.

4 Artikel 164 van verordening nr. 1234/2007, met als opschrift „Vaststelling van de restitutie bij uitvoer”, bepaalde in de leden 1 tot en met 3: „1. De uitvoerrestituties zijn voor de gehele [Unie] gelijk. Zij kunnen naargelang van de bestemming worden gedifferentieerd, met name indien dit noodzakelijk is wegens de situatie op de wereldmarkt, de specifieke vereisten van bepaalde markten of de verplichtingen die voortvloeien uit volgens [artikel 218 VWEU] gesloten overeenkomsten. 2. De Commissie stelt de restituties vast. De uitvoerrestituties kunnen: a) periodiek worden vastgesteld; b) door middel van een openbare inschrijving worden vastgesteld voor de producten waarvoor deze procedure gold voordat deze verordening van toepassing werd ingevolge artikel 204, lid 2. Behalve bij vaststelling via openbare inschrijving worden de lijst van producten waarvoor een uitvoerrestitutie wordt toegekend en het bedrag van deze restitutie ten minste eenmaal per drie maanden vastgesteld. Het bedrag van de restituties kan echter gedurende meer dan drie maanden op hetzelfde niveau gehandhaafd blijven en zo nodig in de tussentijd door de Commissie op verzoek van een lidstaat dan wel op initiatief van de Commissie worden gewijzigd, zonder dat de Commissie de hulp inroept van het Comité, bedoeld in artikel 195, lid 1. 3. Bij de vaststelling van restituties voor een bepaald product wordt rekening gehouden met één of meer van de volgende aspecten: a) de situatie en de vooruitzichten inzake: – de prijzen en de beschikbaarheid van dat product op de [interne] markt […], – de prijzen van dat product op de wereldmarkt; b) de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening, namelijk te zorgen voor een evenwichtige situatie van de betrokken markten en een natuurlijke ontwikkeling inzake prijzen en handelsverkeer; c) de noodzaak om storingen die het evenwicht tussen aanbod en vraag op de [interne] markt […] langdurig kunnen verstoren, te vermijden; d) het economische aspect van de beoogde uitvoer; e) de limieten die voortvloeien uit volgens [artikel 218 VWEU] gesloten overeenkomsten; f) de noodzaak om een evenwicht tot stand te brengen tussen het gebruik van basisproducten uit de [Unie] voor uitvoer van verwerkte goederen naar derde landen en het gebruik van tot het veredelingsverkeer toegelaten producten uit deze landen; g) de gunstigste afzetkosten en vervoerkosten vanaf de markten van de [Unie] tot de havens of andere plaatsen van uitvoer van de [Unie], alsmede de aanvoerkosten tot de landen van bestemming; h) de vraag op de [interne] markt […]; i) wat de sectoren varkensvlees, eieren en pluimveevlees betreft, het verschil tussen de in de [Unie] en op de wereldmarkt genoteerde prijzen van de hoeveelheid voedergranen die nodig is om de producten van die sectoren in de [Unie] te vervaardigen.”

5 Artikel 195 van verordening nr. 1234/2007, met als opschrift „Comité”, bepaalde in de leden 1 en 2: „1. De Commissie wordt bijgestaan door het beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten (hierna: ‚het beheerscomité’ genoemd). 2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van besluit 1999/468/EG van toepassing. De in artikel 4, lid 3, van besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op een maand.”

6 Artikel 196 van verordening nr. 1234/2007, met als opschrift „Organisatie van het beheerscomité”, luidde: „Bij de organisatie van de vergaderingen van het in artikel 195, lid 1, bedoelde beheerscomité wordt met name rekening gehouden met de draagwijdte van zijn verantwoordelijkheden, de specifieke kenmerken van het te behandelen onderwerp en de noodzaak een beroep te doen op passende deskundigheid.”

7 Verordening nr. 1234/2007 is ingetrokken bij verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 671).

Verordening nr. 182/2011

8 De eerste alinea van de preambule van verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB 2011, L 55, blz. 13) is als volgt verwoord: „Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 291, lid 3”.

9 De overwegingen 4 tot en met 9 van verordening nr. 182/2011 luiden: „(4) Volgens het VWEU dienen het Europees Parlement en de Raad nu de algemene voorschriften en beginselen vast te stellen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren. (5) Het is noodzakelijk ervoor te zorgen dat de procedures voor een dergelijke controle duidelijk en doeltreffend zijn en in verhouding staan tot de aard van de uitvoeringshandelingen en dat in die procedures de institutionele vereisten van het VWEU alsook de bij de toepassing van besluit 1999/468/EG opgedane ervaring en de daarbij gangbare praktijk tot uiting komen. (6) Voor die basishandelingen waarvoor de controle van de lidstaten op de vaststelling van uitvoeringshandelingen door de Commissie is vereist, is het wenselijk dat voor de uitvoering van een dergelijke controle comités worden opgericht die uit vertegenwoordigers van de lidstaten zijn samengesteld en door de Commissie worden voorgezeten. (7) In voorkomend geval moet de controleregeling tevens de verwijzing naar een comité van beroep dat op het juiste niveau bij elkaar komt, omvatten. (8) Ter wille van de vereenvoudiging, is het aangewezen dat de Commissie haar uitvoeringsbevoegdheden slechts volgens een van de twee volgende procedures uitoefent: de raadplegingsprocedure of de onderzoeksprocedure. (9) Met het oog op een verdere vereenvoudiging moeten gemeenschappelijke procedureregels gelden voor de comités, met inbegrip van de belangrijkste bepalingen die betrekking hebben op hun functioneren en de mogelijkheid om via een schriftelijke procedure advies uit te brengen.”

10 Artikel 2 van verordening nr. 182/2011, met als opschrift „Keuze van de procedures”, bepaalt in de leden 1 en 2 ervan: „1. Rekening houdend met de aard of de gevolgen van de vereiste uitvoeringshandeling, kan een basishandeling voorzien in de toepassing van de raadplegingsprocedure of de onderzoeksprocedure. 2. De onderzoeksprocedure is met name van toepassing voor de vaststelling van: a) uitvoeringshandelingen van algemene strekking; b) andere uitvoeringshandelingen met betrekking tot: i) programma’s die aanzienlijke implicaties hebben; ii) het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid; iii) het milieu, de beveiliging en veiligheid, of de bescherming van de gezondheid of de veiligheid van mensen, dieren of planten; iv) de gemeenschappelijke handelspolitiek; v) de belastingheffing.”

11 In de leden 1 tot en met 4 en 7 van artikel 3 van verordening nr. 182/2011, met als opschrift „Gemeenschappelijke bepalingen”, wordt bepaald: „1. De gemeenschappelijke bepalingen vastgesteld in dit artikel zijn van toepassing op alle in de artikelen 4 tot en met 8 bedoelde procedures. 2. De Commissie wordt bijgestaan door een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten. Het comité staat onder voorzitterschap van een vertegenwoordiger van de Commissie. De voorzitter neemt niet aan de stemming van het comité deel. 3. De voorzitter legt het comité de door de Commissie vast te stellen ontwerpuitvoeringshandeling voor. Behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen wordt het comité door de voorzitter bijeengeroepen ten minste 14 dagen nadat de ontwerpuitvoeringshandeling en de ontwerpagenda aan het comité zijn voorgelegd. Het comité brengt advies over de ontwerpuitvoeringshandeling uit binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naargelang van de urgentie van de aangelegenheid. De termijn staat in verhouding tot het vereiste dat de leden van het comité snel en daadwerkelijk de ontwerpuitvoeringshandeling kunnen onderzoeken en hun standpunt kenbaar kunnen maken. 4. Zolang het comité geen advies heeft uitgebracht, kan elk lid van het comité wijzigingen voorstellen en kan de voorzitter het comité een gewijzigde versie van de ontwerpuitvoeringshandeling voorleggen. De voorzitter streeft ernaar oplossingen te vinden die in het comité de ruimst mogelijke steun genieten. De voorzitter deelt het comité mede op welke manier rekening is gehouden met de gevoerde besprekingen en voorgestelde wijzigingen, met name die welke ruime steun in het comité hebben genoten. […] 7. De controleregeling omvat in voorkomend geval tevens de verwijzing naar een comité van beroep. Het comité van beroep stelt op voorstel van de Commissie bij gewone meerderheid van stemmen van de leden zijn reglement van orde vast. Het comité van beroep komt niet eerder dan 14 dagen en niet later dan zes weken na de verwijzingsdatum bijeen, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen. Onverminderd lid 3 brengt het comité van beroep uiterlijk twee maanden na de verwijzingsdatum zijn advies uit. Het comité van beroep wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie. De voorzitter stelt de datum van de vergadering van het comité van beroep in nauwe samenspraak met de leden van het comité vast, teneinde de lidstaten en de Commissie in staat te stellen vertegenwoordigers van het juiste niveau af te vaardigen. De Commissie roept het comité van beroep uiterlijk 1 april 2011 voor de eerste keer bijeen om zijn reglement van orde vast te stellen.”

12 De leden 1 tot 4 van artikel 5 van verordening nr. 182/2011, met als opschrift „Onderzoeksprocedure”, luiden: „1. Wanneer de onderzoeksprocedure van toepassing is, brengt het comité zijn advies uit met de meerderheid van stemmen die is voorgeschreven in artikel 16, leden 4 en 5, van het [VEU], en, indien van toepassing, artikel 238, lid 3, van het VWEU, voor handelingen die op voorstel van de Commissie worden vastgesteld. Bij de stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten in het comité overeenkomstig genoemde artikelen gewogen. 2. Indien het advies positief is, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling aan. 3. Indien het advies negatief is, neemt de Commissie, onverminderd artikel 7, de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan. Wanneer een uitvoeringshandeling noodzakelijk wordt geacht, kan de voorzitter binnen twee maanden na het uitbrengen van het negatieve advies een gewijzigde versie van die ontwerpuitvoeringshandeling bij hetzelfde comité indienen of de ontwerpuitvoeringshandeling binnen een maand na het uitbrengen van het negatieve advies ter verdere bespreking aan het comité van beroep voorleggen. 4. Indien geen advies is uitgebracht, kan de Commissie, behoudens de in de tweede alinea bedoelde gevallen, de ontwerpuitvoeringshandeling aannemen. Wanneer de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aanneemt, kan de voorzitter een gewijzigde versie daarvan aan het comité voorleggen. […]”

13 In leden 1 tot en met 4 van artikel 8 van deze verordening, met als opschrift „Onmiddellijke toepassing uitvoeringshandelingen”, wordt bepaald: „1. In afwijking van de artikelen 4 en 5 kan in een basishandeling worden vastgesteld dat, om naar behoren gemotiveerde redenen van urgentie, dit artikel van toepassing is. 2. De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast die onmiddellijk van toepassing is zonder voorafgaande voorlegging aan een comité en die gedurende ten hoogste zes maanden van kracht blijft, behoudens andersluidende bepaling in de basishandeling. 3. De voorzitter legt de in lid 2 bedoelde handeling uiterlijk 14 dagen nadat deze is vastgesteld, voor advies aan het desbetreffende comité voor. 4. Indien de onderzoeksprocedure van toepassing is en het comité een negatief advies uitbrengt, trekt de Commissie de overeenkomstig lid 2 vastgestelde uitvoeringshandeling onmiddellijk in.”

14 Artikel 9 van verordening nr. 182/2011, met als opschrift „Reglement van orde”, bepaalt in lid 1 ervan: „Elk comité stelt op voorstel van zijn voorzitter bij gewone meerderheid van stemmen van de leden zijn reglement van orde vast op basis van een standaardreglement dat door de Commissie na overleg met de lidstaten wordt opgesteld. Het standaardreglement wordt door de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt. Bestaande comités passen, voor zover nodig, hun reglement van orde aan het standaardreglement aan.”

De comitologiebesluiten

15 De tweede alinea en de twee eerste zinnen van de zesde alinea van artikel 2 van besluit 87/373/EEG van de Raad van 13 juli 1987 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB 1987, L 197, blz. 33), en artikel 3, lid 2, en de eerste twee zinnen van artikel 4, lid 2, van besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB 1999, L 184, blz. 23), waarbij besluit 87/373 werd ingetrokken (hierna gezamenlijk: „comitologiebesluiten”), bepaalden op identieke wijze: „De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp van de te nemen maatregelen voor. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen al naargelang van de urgentie van de materie.”

16 Besluit 1999/468 is ingetrokken bij verordening nr. 182/2011.

Reglement van orde van het beheerscomité

17 Artikel 3 van het reglement van orde van het beheerscomité luidt: „1. Voor de toepassing van artikel 3, lid 3, tweede alinea, van verordening (EU) nr. 182/2011, zendt de voorzitter geruime tijd vóór de vergadering, rekening houdend met de urgentie en de complexiteit van het onderwerp, doch uiterlijk veertien kalenderdagen vóór de datum van de vergadering, de convocatie, de ontwerpagenda en de ontwerpuitvoeringshandeling waarover het advies van het comité wordt gevraagd aan de leden van het comité toe. Andere vergaderstukken, meer bepaald stukken bij de ontwerpuitvoeringshandeling, worden voor zover mogelijk binnen dezelfde termijn toegezonden. Wanneer echter geregeld snel moet worden opgetreden of wanneer de basishandeling een specifieke dwingende termijn voor het optreden bevat, kunnen kortere termijnen worden vastgesteld. […] 2. In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de voorzitter op eigen initiatief of op verzoek van een lid van het comité de in lid 1 bedoelde termijn voor toezending van stukken verkorten. Behalve in uiterst urgente gevallen, in het bijzonder om een belangrijke verstoring van de landbouwmarkten te vermijden of om de financiële belangen van de Unie in de zin van artikel 325 […] VWEU te beschermen, mag die termijn niet korter zijn dan vijf dagen.”

Voorgeschiedenis van het geding

18 Tilly-Sabco is een Franse onderneming die zich bezighoudt met de uitvoer van hele bevroren kippen naar landen in het Midden-Oosten.

19 Overeenkomstig met name de artikelen 162 en 164 van verordening nr. 1234/2007 heeft de Commissie aan de hand van uitvoeringsverordeningen periodiek het bedrag van de uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee vastgesteld.

20 Sinds de vaststelling van verordening (EU) nr. 525/2010 van de Commissie van 17 juni 2010 tot vaststelling van uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee (PB 2010, L 152, blz. 5) is het bedrag van deze restituties voor drie categorieën bevroren kippen gestaag gedaald. Het is eerst van 40 EUR/100 kg op 32,50 EUR/100 kg gebracht. Laatstgenoemd bedrag is bij acht opeenvolgende uitvoeringsverordeningen gehandhaafd maar is vervolgens bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 962/2012 van de Commissie van 18 oktober 2012 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee (PB 2012, L 288, blz. 6) verlaagd naar 21,70 EUR/100 kg.

21 Bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 33/2013 van de Commissie van 17 januari 2013 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee (PB 2013, L 14, blz. 15) is het bedrag opnieuw verlaagd, waarbij het restitutiebedrag voor de drie categorieën bevroren kippen in kwestie op 10,85 EUR/100 kg is gesteld. Dit bedrag is vervolgens gehandhaafd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 360/2013 van de Commissie van 18 april 2013 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee (PB 2013, L 109, blz. 27).

22 Bij de litigieuze verordening heeft de Commissie uitvoeringsverordening nr. 360/2013 ingetrokken en heeft zij het restitutiebedrag voor drie categorieën bevroren kippen, met codes 0207 12 10 9900, 0207 12 90 9190 en 0207 12 90 9990, op nul vastgesteld. Het in de bijlage bij de litigieuze verordening voor de overige zes producten – in hoofdzaak kuikens – vermelde restitutiebedrag, dat op nul was gesteld bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 1056/2011 van de Commissie van 20 oktober 2011 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee (PB 2011, L 276, blz. 31), is niet gewijzigd. Volgens de bijlage bij de litigieuze verordening zijn de bij de uitvoerrestituties betrokken bestemmingen met name landen in het Midden-Oosten.

23 Het ontwerp van de litigieuze verordening is voorgesteld en ter stemming voorgelegd tijdens de vergadering van het beheerscomité van 18 juli 2013.

24 Over de in dit verband gevolgde procedure heeft de Commissie voor het Gerecht het hierna volgende gepreciseerd.

25 Op 16 juli 2013, te weten twee dagen vóór de vergadering van het beheerscomité, heeft de Commissie de leden van het beheerscomité per e-mail een stuk toegestuurd met de titel „EU Market situation for poultry” (situatie op de pluimveemarkt van de Unie).

26 In de loop van de ochtend waarop de vergadering van het beheerscomité van 18 juli 2013 heeft plaatsgevonden, heeft de Commissie een uiteenzetting gegeven over de situatie op de pluimveemarkt. ’s Middags, toen deze vergadering is voortgezet, heeft de Commissie – na 13.00 uur – bij het beheerscomité het ontwerp van de litigieuze verordening ingediend. Het ging om een standaardverordening waarin alleen de getallen waren bijgewerkt. Meer in het bijzonder betrof het een kopie van de vorige verordening tot vaststelling van de uitvoerrestituties waarin de vermelde restitutiebedragen met potlood waren doorgehaald.

27 Het ontwerp van de litigieuze verordening is vervolgens in stemming gebracht. De directeur-generaal van het directoraat-generaal (DG) Landbouw en Plattelandsontwikkeling heeft op dezelfde dag, om 15.46 uur, de formaliteiten voor de akkoordverklaring verricht om de litigieuze verordening op de volgende dag in het Publicatieblad van de Europese Unie te laten bekendmaken met het oog op een onmiddellijke inwerkingtreding en toepassing.

28 De overwegingen 1 tot en met 3, 6 en 7 van de litigieuze verordening luiden: „(1) Krachtens artikel 162, lid 1, van verordening (EG) nr. 1234/2007 kan het verschil tussen de prijzen van de in deel XX van bijlage I bij die verordening bedoelde producten op de wereldmarkt en die in de Unie worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer. (2) Gezien de huidige situatie op de pluimveevleesmarkt, moeten uitvoerrestituties worden vastgesteld overeenkomstig de regels en criteria van de artikelen 162, 163, 164, 167 en 169 van verordening (EG) nr. 1234/2007. (3) Krachtens artikel 164, lid 1, van verordening (EG) nr. 1234/2007 kunnen de restituties naargelang van de bestemming worden gedifferentieerd, met name indien dit noodzakelijk is wegens de situatie op de wereldmarkt, de specifieke vereisten van bepaalde markten of de verplichtingen die voortvloeien uit volgens artikel [218 VWEU] gesloten overeenkomsten. […] (6) Om zowel afwijkingen ten opzichte van de huidige marktsituatie als speculatie op de markt te voorkomen en om een efficiënt beheer te garanderen, dient deze verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. (7) Het [beheerscomité] heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter gestelde termijn.”

29 Artikel 1, lid 1, van de litigieuze verordening bepaalt: „De in artikel 164 van verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde uitvoerrestituties worden toegekend voor de producten en met toepassing van de bedragen die zijn vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening […].”

30 In die bijlage zijn de restitutiebedragen voor de uitvoer voor alle betrokken producten vastgesteld op nul.

31 De litigieuze verordening is ondertekend door de directeur-generaal van het DG Landbouw en Plattelandsontwikkeling, op 19 juli 2013 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en diezelfde dag in werking getreden.

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

32 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 augustus 2013, heeft Tilly-Sabco beroep tot nietigverklaring van de litigieuze verordening ingesteld.

33 Tot staving van haar beroep heeft zij vijf middelen aangevoerd: ten eerste, schending van wezenlijke vormvoorschriften en misbruik van procedure; ten tweede, een procedurefout en onbevoegdheid; ten derde, ontoereikende motivering; ten vierde, schending van het recht of een kennelijke beoordelingsfout, en, ten vijfde, schending van het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen.

34 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht allereerst het beroep ontvankelijk verklaard, waarbij het heeft geoordeeld dat de litigieuze verordening behoort tot de regelgevingshandelingen die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, en heeft het vervolgens het beroep ongegrond verklaard en Tilly-Sabco verwezen in haar eigen kosten.

Conclusies van partijen

35 Tilly-Sabco verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – de litigieuze verordening nietig te verklaren, en – de Commissie te verwijzen in de kosten.

36 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – Tilly-Sabco te verwijzen in de kosten.

Hogere voorziening

37 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert Tilly-Sabco vier middelen aan. Het eerste – dat uit vijf onderdelen bestaat – betreft een onjuiste uitlegging van zowel artikel 3, lid 3, van verordening nr. 182/2011 als de artikelen 162 en 164 van verordening nr. 1234/2007. Het tweede middel betreft de onbevoegdheid van de directeur-generaal van het DG Landbouw en Plattelandsontwikkeling om de litigieuze verordening te ondertekenen. Het derde middel – dat uit vijf onderdelen bestaat – betreft schending van artikel 296 VWEU, verscheidene tegenstrijdige motiveringen alsook schendingen van artikel 164, lid 3, van verordening nr. 1234/2007. Het vierde middel – dat uit drie onderdelen bestaat – betreft tegenstrijdige motiveringen, schendingen van artikel 164, lid 3, onder b), van verordening nr. 1234/2007 en een onjuiste opvatting van bewijzen.

38 In de eerste plaats dienen het vijfde onderdeel van het eerste middel, het tweede middel, het derde onderdeel van het derde middel en het eerste en het tweede onderdeel van het vierde middel – waarmee in wezen wordt aangevoerd dat de artikelen 162 en 164 van verordening nr. 1234/2007onjuist zijn uitgelegd – samen te worden onderzocht, en in de tweede plaats dienen het eerste tot en met het vierde onderdeel van het eerste middel – waarmee wordt aangevoerd dat artikel 3, lid 3, van verordening nr. 182/2011 onjuist is uitgelegd – samen te worden onderzocht.

Vijfde onderdeel van het eerste middel, tweede middel, derde onderdeel van het derde middel en eerste en tweede onderdeel van het vierde middel, betreffende een onjuiste uitlegging van de artikelen 162 en 164 van verordening nr. 1234/2007

Argumenten van partijen

39 Met het vijfde onderdeel van het eerste middel voert Tilly-Sabco aan dat het Gerecht het bestreden arrest tegenstrijdig heeft gemotiveerd door het tweede onderdeel van het eerste middel van het beroep te hebben afgewezen.

40 Volgens Tilly-Sabco blijkt uit de uiteenzetting door het Gerecht van het betoog van de Commissie – in de punten 149 en 255 van het bestreden arrest – dat de Commissie haar bevoegdheid heeft misbruikt door zich op artikel 164 van verordening nr. 1234/2007 te baseren, waarbij zij het beheerscomité heeft aangewend om de politieke beslissing te nemen om de uitvoerrestituties af te schaffen, terwijl deze beslissing op grond van artikel 162 van deze verordening had moeten worden genomen.

41 Het Gerecht heeft inzonderheid – in de punten 162 tot en met 164 van het bestreden arrest – geen rekening gehouden met de gevolgen van het verzuim van de Commissie in oktober 2013 om een nieuwe periodieke verordening vast te stellen die in voorkomend geval wegens de marktsituatie het bedrag van de restituties handhaafde op 0 EUR, zoals zij voorheen ter handhaving van de restitutievoet had gedaan.

42 Met haar tweede middel verwijt Tilly-Sabco het Gerecht artikel 164, lid 2, van verordening nr. 1234/2007 te hebben geschonden en het bestreden arrest tegenstrijdig te hebben gemotiveerd door het tweede middel van haar beroep – betreffende de onbevoegdheid van de directeur-generaal van het DG Landbouw en Plattelandsontwikkeling om de litigieuze verordening te ondertekenen – van de hand te hebben gewezen door in punt 200 van het bestreden arrest haar argument te verwerpen dat de litigieuze verordening niet kon worden gekwalificeerd als periodiek landbouwinstrument.

43 In dit verband betoogt Tilly-Sabco dat het vaststaat dat de litigieuze verordening niet door een nieuwe verordening is vervangen en bijgevolg niet als een periodiek landbouwinstrument kan worden aangemerkt. Zij herinnert eraan dat de praktijk van de Commissie erin bestond elke drie maanden verordeningen inzake restituties vast te stellen en dat de Commissie heeft beslist het beheerscomité niet bijeen te roepen teneinde de bedragen van de uitvoerrestituties opnieuw te beoordelen in oktober 2013. Indien het een periodiek landbouwinstrument betrof, dan zou de Commissie verplicht zijn geweest deze bedragen opnieuw te beoordelen.

44 Met het derde onderdeel van het derde middel betoogt Tilly-Sabco dat de punten 253 tot en met 259 van het bestreden arrest tegenstrijdig zijn gemotiveerd voor zover daarin wordt vermeld dat het terugbrengen van de uitvoerrestituties tot nul paste in het kader van de gestage daling van het bedrag van de uitvoerrestituties en dat deze daling structureel niet verschilde van de eerdere dalingen. Volgens Tilly-Sabco was deze progressieve daling immers een politieke beslissing en vloeide deze niet voort uit de toepassing van de in artikel 164, lid 3, van verordening nr. 1234/2007 vastgestelde criteria, zoals de Commissie in haar verweerschrift in eerste aanleg heeft erkend waar zij naar een daartoe aangegane internationale verbintenis verwijst.

45 Met het eerste onderdeel van het vierde middel verwijt Tilly-Sabco het Gerecht het bestreden arrest tegenstrijdig te hebben gemotiveerd en artikel 164, lid 3, onder a), van verordening nr. 1234/2007 te hebben geschonden door in de punten 301 en 302 van het bestreden arrest, voor de door deze bepaling vereiste beoordeling van de „situatie” op de wereldmarkt en de interne markt, verschillende referentieperiodes in aanmerking te nemen en zich op verscheidene jaren te baseren.

46 Met het tweede onderdeel van het vierde middel voert Tilly-Sabco aan dat het Gerecht artikel 164, lid 3, onder b), van verordening nr. 1234/2007 heeft geschonden door een kennelijke beoordelingsfout van de Commissie te hebben bevestigd. Tilly-Sabco wijst erop dat het Gerecht in punt 289 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat het prijsverschil met kippen uit Brazilië op 44,73 EUR per 100 kilogram werd geraamd. Zij merkt op dat dit verschil aanzienlijk is en het toekennen van uitvoerrestituties noodzakelijk maakt. Bovendien heeft het Gerecht enkel de wereldmarkt in aanmerking genomen en niet ook de interne markt, zoals deze bepaling verlangt.

47 De Commissie betwist de door Tilly-Sabco aangevoerde argumenten en stelt in het bijzonder dat dit betoog voortkomt uit een onjuiste opvatting van de doelstellingen die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid door de toekenning van uitvoerrestituties worden nagestreefd.

Beoordeling door het Hof

48 Vooraf zij opgemerkt dat Tilly-Sabco met haar betoog dat het bestreden arrest door het Gerecht tegenstrijdig is gemotiveerd, in werkelijkheid de beoordeling door het Gerecht van de rechtmatigheid van de litigieuze verordening betwist in het licht van de artikelen 162 en 164 van verordening nr. 1234/2007, aangezien deze rechterlijke instantie alle middelen en argumenten van die onderneming ter betwisting van die rechtmatigheid heeft afgewezen.

49 Voorts dient te worden opgemerkt dat uit een gecombineerde lezing van de artikelen 39 en 40 VWEU, de overwegingen 65 en 77 van verordening nr. 1234/2007 en artikel 164, lid 3, onder b), van deze verordening volgt dat de voornaamste doelstelling die wordt beoogd met het eventuele verlenen van uitvoerrestituties, erin bestaat de interne markt te stabiliseren, zoals de Commissie terecht betoogt.

50 Dienaangaande verleent artikel 162 van verordening nr. 1234/2007 de Commissie een discretionaire bevoegdheid om al of niet uitvoerrestituties vast te stellen, en bijgevolg ook om elke vastgestelde restitutie in te trekken.

51 Overeenkomstig artikel 164, lid 2, van deze verordening stelt de Commissie de restituties periodiek – met name minstens één keer elke drie maanden – vast, waarbij die restituties echter gedurende meer dan drie maanden op hetzelfde niveau mogen worden gehandhaafd of, indien nodig, in de tussentijd worden gewijzigd.

52 Artikel 164, lid 3, van verordening nr. 1234/2007 preciseert de aspecten die in aanmerking moeten worden genomen om het bedrag van de restituties vast te stellen en staat de Commissie toe om rekening te houden met één of meerdere van deze aspecten.

53 Zo kunnen volgens artikel 164, lid 3, onder a), van deze verordening de situatie en de vooruitzichten inzake de prijzen en de beschikbaarheid van het betrokken product op de interne markt en de prijzen van dat product op de wereldmarkt in aanmerking worden genomen. Volgens lid 3, onder b), van dat artikel kunnen de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening – namelijk zorgen voor een evenwichtige situatie van de betrokken markten en een natuurlijke ontwikkeling inzake prijzen en handelsverkeer – in aanmerking worden genomen.

54 Om te beginnen volgt hieruit dat, aangezien geen enkel specifiek bedrag of bijzondere berekeningsmethode wordt opgelegd door met name artikel 164, lid 3, van verordening nr. 1234/2007, niets eraan in de weg staat dat de beoordeling door de Commissie van de in die bepaling bedoelde aspecten tot een tijdelijke vaststelling op 0 EUR kan leiden.

55 Voorts kan de Commissie volgens artikel 164, lid 2, van deze verordening de restituties gedurende meer dan drie maanden op hetzelfde niveau handhaven of deze in de tussentijd wijzigen, zodat niet kan worden geoordeeld dat deze bepaling haar de verplichting oplegt om elke drie maanden systematisch vergaderingen van het beheerscomité bijeen te roepen met als enig doel de verlenging van de eerder vastgestelde restituties te laten optekenen. Een dergelijke uitlegging, die de Commissie en het beheerscomité zouden verplichten onnodig te vergaderen, zou immers indruisen tegen het beginsel van behoorlijk bestuur.

56 Tot slot, aangezien de Commissie volgens de bewoordingen zelf van artikel 164, lid 3, van verordening nr. 1234/2007 de uitvoerrestituties kan vaststellen op basis van één of meerdere van de in deze bepaling bedoelde aspecten, moet ervan worden uitgegaan dat een verordening die deze bepaling als rechtsgrondslag heeft, niet op een kennelijke beoordelingsfout berust indien die beoordeling rechtmatig kon worden gebaseerd op ten minste één van die aspecten.

57 Ten eerste volgt in casu uit artikel 1, lid 1, van de litigieuze verordening, evenals uit de overwegingen 2 en 3 ervan, dat de Commissie, door deze verordening vast te stellen, niet de eerder verleende en op een positief bedrag gestelde uitvoerrestituties krachtens artikel 162 van verordening nr. 1234/2007 heeft afgeschaft maar de litigieuze uitvoerrestituties krachtens artikel 164 van verordening nr. 1234/2007 heeft vastgesteld op 0 EUR.

58 Ten tweede is het onbetwist dat de vaststelling van die uitvoerrestituties met name op het in artikel 164, lid 3, onder b), van verordening nr. 1234/2007 bedoelde criterium was gebaseerd.

59 Het verwijt van Tilly-Sabco aan het Gerecht dat het bij zijn beoordeling geen rekening heeft gehouden met de interne markt en dat het eraan is voorbijgegaan dat het prijsverschil met kippen uit Brazilië tot de toekenning van uitvoerrestituties noopte, berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest aangezien het Gerecht de situatie op de interne markt ten tijde van de vaststelling van de litigieuze verordening in de punten 282 tot en met 294 van het bestreden arrest omstandig heeft onderzocht.

60 Die redenering berust bovendien ook, zoals de Commissie terecht betoogt, op een onjuiste opvatting van de doelstellingen van de uitvoerrestituties in het algemeen en van artikel 164, lid 3, onder b), van verordening nr. 1234/2007 in het bijzonder, aangezien een prijsverschil op zich nooit vereist dat uitvoerrestituties worden verleend.

61 Hieruit volgt dat het betoog van Tilly-Sabco dat het Gerecht artikel 164, lid 3, onder b), van verordening nr. 1234/2007 heeft geschonden, ongegrond is.

62 Zoals in punt 56 van het onderhavige arrest is uiteengezet, is het betoog waarmee Tilly-Sabco opkomt tegen de beoordeling door het Gerecht van de rechtmatigheid van de litigieuze verordening in het licht van artikel 164, lid 3, onder a), van verordening nr. 1234/2007, derhalve niet ter zake dienend.

63 Ten derde kan het betoog van Tilly-Sabco betreffende het verzuim van de Commissie om in oktober 2013 een nieuwe verordening vast te stellen – gesteld al dat dit argument ontvankelijk is – hoe dan ook niet slagen, gelet op de in punt 55 van het onderhavige arrest geformuleerde overwegingen. Hieruit volgt ook dat dit betoog niet afdoet aan de bevoegdheid van de directeur-generaal van het DG Landbouw en Plattelandsontwikkeling om de litigieuze verordening te ondertekenen.

64 Ten vierde, voor zover Tilly-Sabco meent dat uit de door haar voor het Gerecht ingeroepen omstandigheden blijkt dat er misbruik van bevoegdheid is, moet worden herhaald dat van misbruik van bevoegdheid slechts sprake is wanneer op grond van objectieve, relevante en overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat de handeling uitsluitend of althans overwegend is vastgesteld om andere dan de aangegeven doelen te bereiken, of om zich te onttrekken aan de toepassing van een procedure waarin het Verdrag speciaal heeft voorzien om aan de omstandigheden van het geval het hoofd te bieden (arrest van 4 december 2013, Commissie/Raad, C‑117/10, EU:C:2013:786, punt 96).

65 Vastgesteld moet worden dat Tilly-Sabco geen dergelijke aanwijzingen heeft verstrekt.

66 Wat enerzijds de door de Commissie door de vaststelling van de litigieuze verordening beoogde doelstellingen betreft, kan immers uit geen enkel element van het dossier worden afgeleid dat deze instelling uitsluitend – of minstens overwegend – een ander doel nastreefde dan het in de overwegingen 2 en 3 van deze verordening genoemde doel, namelijk uitvoerrestituties vaststellen overeenkomstig artikel 164 van verordening nr. 1234/2007.

67 In dit verband moet worden opgemerkt dat deze bepaling een ruime beoordelingsbevoegdheid toekent aan de Commissie en dat het feit dat deze instelling in oktober 2013 geen nieuwe verordening heeft vastgesteld, alsook haar beweerdelijke verwijzing naar internationale verbintenissen die voorafgaand aan de vaststelling van de litigieuze verordening waren aangegaan, niet als objectieve, relevante en onderling overeenstemmende aanwijzingen kunnen worden gekwalificeerd waaruit blijkt dat de betrokken instelling andere doelstellingen nastreefde dan die welke met name in artikel 164, lid 3, onder b), van verordening nr. 1234/2007 zijn vermeld.

68 Anderzijds beweert Tilly-Sabco niet dat de Commissie heeft getracht om een door het primaire recht vastgestelde procedure te omzeilen.

69 Uit de voorgaande overwegingen blijkt niet van een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht die de vernietiging van het bestreden arrest zou kunnen rechtvaardigen.

70 In die omstandigheden dienen het vijfde onderdeel van het eerste middel, het tweede middel, het derde onderdeel van het derde middel en het eerste en tweede onderdeel van het vierde middel ongegrond te worden verklaard.

Eerste tot en met vierde onderdeel van het eerste middel, betreffende een onjuiste uitlegging van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 182/2011

Argumenten van partijen

71 In het eerste onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening voert Tilly-Sabco aan dat het Gerecht in de punten 89 en 90 van het bestreden arrest het begrip „termijn die in verhouding staat” als vermeld in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 182/2011 onjuist heeft beoordeeld.

72 Door erin te voorzien dat „de termijn […] in verhouding [staat] tot het vereiste dat de leden van het [beheerscomité] snel en daadwerkelijk de ontwerpuitvoeringshandeling kunnen onderzoeken en hun standpunt kenbaar kunnen maken”, beoogt deze bepaling het comité voldoende bedenk- en analysetijd te geven.

73 Aangezien de litigieuze ontwerpverordening met de restitutiebedragen na 13.00 uur aan de leden van het beheerscomité is overgelegd terwijl de vergadering van dit comité om 15.46 uur is beëindigd, hebben zij niet de gelegenheid gehad „snel en daadwerkelijk de ontwerpuitvoeringshandeling […] [te] onderzoeken en hun standpunt kenbaar […] [te] maken” en is geen sprake van een „termijn die in verhouding staat” in de zin van die bepaling.

74 Met het tweede onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening betoogt Tilly-Sabco dat het Gerecht diezelfde bepaling heeft geschonden door te verklaren dat de in het geding aan de orde zijnde situatie werd gekenmerkt door spoedeisendheid, terwijl de Commissie niet had gewaagd van enige spoedeisendheid.

75 Tilly-Sabco merkt op dat het volgens artikel 3, lid 3, van verordening nr. 182/2011 mogelijk is om in „naar behoren gemotiveerde gevallen” de bedoelde termijn niet na te leven en dat deze termijn dan „naargelang de spoedeisendheid van de kwestie” kan worden verkort. Zij voert aan dat het Gerecht in de punten 111 en 112 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat de Commissie in casu geen gewag had gemaakt van spoedeisendheid en dat het Gerecht in de punten 113 tot en met 119 van het bestreden arrest niettemin heeft geoordeeld dat de voorliggende situatie werd gekenmerkt door spoedeisendheid zodat die bedoelde termijn niet hoefde te worden nageleefd.

76 Met die motivering heeft het Gerecht niet alleen een rechtvaardiging gehanteerd waarop de Commissie zich niet had beroepen maar heeft het het bestreden arrest ook tegenstrijdig gemotiveerd. Voorts is het gevaar voor het lekken van de voorgestelde cijfers niet aangetoond, wordt dit risico niet vermeld in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 182/2011 en kan het bijgevolg niet rechtvaardigen dat er geen tijd was om het betrokken ontwerp te onderzoeken. Het standaardreglement van orde preciseert dat er van een uiterst spoedeisend geval in het bijzonder sprake is „wanneer gevaar dreigt voor de volksgezondheid of voor de gezondheid van dieren”.

77 Met het derde onderdeel van het eerste middel voert Tilly-Sabco aan dat het Gerecht is voorbijgegaan aan het doel van de in voornoemde bepaling vastgestelde termijn.

78 Tilly-Sabco betoogt, ten eerste, dat diezelfde bepaling vereist dat de ontwerpuitvoeringshandeling waarin de voorgestelde restitutiebedragen zijn vermeld binnen de gestelde termijn moet zijn ingediend, en, ten tweede, dat het Gerecht in punt 93 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat gegevens over de situatie op de betrokken markt tijdig aan de leden van het beheerscomité waren toegezonden. Het feit dat dergelijke documenten waren verzonden kan de niet-naleving van de termijn voor het indienen van de litigieuze ontwerpverordening niet goedmaken.

79 Anders dan het Gerecht in punt 95 van het bestreden arrest stelt, heeft de indiening van deze documenten de bovengenoemde leden niet de mogelijkheid geboden om de betrokken actoren – waaronder verzoekster – te raadplegen over het beoogde bedrag van de restituties. Bovendien waren die documenten geenszins toereikend om de leden van het beheerscomité in staat te stellen een gefundeerd standpunt in te nemen, gelet op het feit dat het voorgestelde bedrag ontbrak.

80 Bijgevolg heeft geen reëel debat tussen de lidstaten – voorafgaand aan de vergadering van het beheerscomité – of tussen de leden van dit comité – tijdens de vergadering die in de ochtend van 18 juli 2013 is gehouden – kunnen plaatsvinden, hetgeen in strijd is met artikel 3, lid 3, van verordening nr. 182/2011, waarin uitdrukkelijk wordt vereist dat de leden van dit comité „daadwerkelijk” de ontwerpuitvoeringshandeling kunnen onderzoeken en hun standpunt kenbaar kunnen maken.

81 Met het vierde onderdeel verwijt Tilly-Sabco het Gerecht deze bepaling te hebben geschonden door een onrechtmatige praktijk te hebben bekrachtigd waarvan de Commissie zegt dat deze teruggaat tot 1962, waar het heeft verklaard dat het niet noodzakelijk is om de gegrondheid van een kortere termijn te rechtvaardigen. Indien deze praktijk inderdaad vast en noodzakelijk was, dan belette niets de Commissie om – na deze praktijk 39 jaar te hebben toegepast – rekening daarmee te houden bij de vaststelling van verordening nr. 182/2011.

82 De Commissie is van mening dat het eerste tot en met het vierde onderdeel van het eerste middel enkel ertoe strekken het bestreden arrest te bekritiseren waar het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie op regelmatige wijze het beheerscomité had geraadpleegd. In het bestreden arrest is geen onjuiste uitlegging gegeven aan artikel 3, lid 3, van verordening nr. 182/2011 en aan artikel 3 van het reglement van orde van het beheerscomité.

83 Verder heeft het Gerecht soeverein vastgesteld dat de leden van het beheerscomité dankzij de door de Commissie over de marktsituatie verstrekte informatie in staat waren om, in de loop van de ochtend voorafgaand aan de vaststelling van de litigieuze ontwerpverordening, daarover te beraadslagen, en dat zij geen bezwaar hebben gemaakt tegen de handelswijze van de Commissie.

84 Hoe dan ook heeft het Gerecht in de punten 123 en 124 van het bestreden arrest terecht opgemerkt dat de regels betreffende de raadpleging van een comité ertoe strekken de naleving van de voorrechten van de leden ervan te waarborgen en niet de rechten van de marktdeelnemers te beschermen. Deze kunnen zich bijgevolg niet beroepen op een eventuele schending van die regels.

85 De Commissie voegt hieraan toe dat het Gerecht in de punten 125 tot en met 129 van het bestreden arrest ten overvloede heeft geoordeeld dat Tilly-Sabco niet heeft aangetoond – zoals de rechtspraak van het Hof vereist – dat het resultaat van de procedure verschillend zou zijn indien geen sprake was van de beweerdelijke schending. De hogere voorziening bevat geen enkel gegeven waardoor die vaststelling op losse schroeven komt te staan, hoewel geen juridische of materiële belemmeringen eraan in de weg staan dat dit bewijs in casu wordt geleverd. Vastgesteld moet worden dat het resultaat van de beraadslaging van het beheerscomité gelijkaardig zou zijn geweest indien dit comité over een tiental extra dagen had beschikt om het ontwerp van de litigieuze verordening te onderzoeken, aangezien alle gegevens ertoe zouden hebben geleid dat de restituties op nul werden vastgesteld.

Beoordeling door het Hof

86 In de punten 83 tot en met 120 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de in de punten 76 tot en met 78 van het onderhavige arrest beschreven litigieuze praktijk van de Commissie – die er in wezen op neerkomt dat ontwerpen van als standaardverordeningen aangemerkte verordeningen, die enkel verschillen van die waarvoor zij in de plaats komen door een aanpassing van de erin vastgestelde cijfers, pas tijdens de vergaderingen van het beheerscomité worden ingediend – voldoet aan de eisen van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 182/2011.

87 Terwijl Tilly-Sabco betwist dat deze praktijk aan die eisen voldoet, voert de Commissie aan dat de overwegingen van het Gerecht gegrond zijn en stelt zij bovendien dat Tilly-Sabco zich in ieder geval niet op een schending van deze bepaling kan beroepen, gesteld al dat deze zou zijn bewezen.

88 In dit verband moet in de eerste plaats eraan worden herinnerd dat, ook al wordt in artikel 288, tweede alinea, VWEU aan het begrip „verordening” één enkele definitie gegeven, het VEU een onderscheid maakt tussen de volgens de gewone of de bijzondere wetgevingsprocedure vastgestelde „wetgevingsverordeningen” als bedoeld in artikel 289 VWEU, de door de Commissie vastgestelde „gedelegeerde” verordeningen die ertoe strekken bepaalde niet-essentiële onderdelen van de wetgevingshandeling aan te vullen of te wijzigen als bedoeld in artikel 290 VWEU en, tot slot, de in artikel 291 VWEU gedefinieerde „uitvoeringsverordeningen”.

89 Volgens artikel 291, lid 1, VWEU moeten de lidstaten in beginsel alle maatregelen van intern recht nemen die nodig zijn ter uitvoering van de juridisch bindende handelingen van de Unie. Volgens lid 2 van dit artikel kan de Commissie, behalve in specifieke gevallen, enkel uitvoeringshandelingen vaststellen indien het nodig is dat juridisch bindende handelingen van de Unie volgens eenvormige voorwaarden worden uitgevoerd en indien bij deze handelingen aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend.

90 Hiertoe is in artikel 291, lid 3, VWEU een controle door de lidstaten ingesteld van de wijze waarop de Commissie die uitvoeringsbevoegdheden uitoefent en wordt in die bepaling gepreciseerd dat het Parlement en de Raad vooraf bij „wetgevingsverordening” de algemene voorschriften en beginselen betreffende de modaliteiten van deze controle vaststellen.

91 Uit het eerste visum en uit overweging 4 van verordening nr. 182/2011 – die naar artikel 291, lid 3, VWEU verwijzen en de bewoordingen van deze bepaling overnemen –, uit overweging 7 van deze verordening en uit artikel 3, lid 7, ervan – die preciseren dat dezelfde verordening de door artikel 291, lid 3, VWEU vereiste controleregeling invoert –, alsook uit overweging 5 van verordening nr. 182/2011 – volgens welke deze verordening de institutionele vereisten van het VWEU beoogt te weerspiegelen –, blijkt dat bovengenoemde verordening die „wetgevingsverordening” is.

92 Bijgevolg stelt verordening nr. 182/2011 – waarbij besluit 1999/468 is vervangen – de algemene voorschriften en beginselen betreffende de modaliteiten van deze controle vast.

93 Volgens de overwegingen 8 en 9 van verordening nr. 182/2011 is het aantal procedures ter wille van de vereenvoudiging teruggebracht naar twee zodat enkel de raadplegingsprocedure en de onderzoeksprocedure behouden blijven en gemeenschappelijke procedureregels zijn ingevoerd voor de comités, met inbegrip van de essentiële bepalingen die betrekking hebben op hun functioneren.

94 In het kader van de in casu van toepassing zijnde onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 5 van verordening nr. 182/2011 brengt het comité zijn advies uit met een meerderheid die naargelang het geval in artikel 16, leden 4 en 5, VEU of in artikel 238, lid 3, VWEU is vastgesteld. Volgens artikel 5, lid 3, van verordening nr. 182/2011 wordt de ontwerpuitvoeringshandeling niet aangenomen indien dit advies negatief is.

95 De essentiële bepalingen betreffende de raadplegings- en onderzoeksprocedures zijn neergelegd in artikel 3 van verordening nr. 182/2011.

96 Wat de inhoud van de door artikel 3, lid 3, van verordening nr. 182/2011 ingevoerde regels betreft, is het van belang deze regels te vergelijken met de overeenkomstige bepalingen van de comitologiebesluiten die van kracht waren in de periode waarin de litigieuze praktijk van de Commissie is ingevoerd.

97 In dit verband moet, ten eerste, worden opgemerkt dat de comitologiebesluiten bepaalden dat een ontwerp van de te nemen maatregelen aan het comité diende te worden voorgelegd, terwijl artikel 3, lid 3, van verordening nr. 182/2011 vereist dat het ontwerp van de vast te stellen uitvoeringshandeling aan dit comité wordt voorgelegd.

98 Ten tweede, terwijl de comitologiebesluiten geen enkele termijn oplegden met betrekking tot het tijdvak tussen het indienen van het ontwerp van maatregelen, de verzending van een ontwerpagenda en het houden van de overeenkomstige vergadering van het beheerscomité, stelt verordening nr. 182/2011 een termijn in van minstens 14 dagen – behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen – tussen het voorleggen van de ontwerpuitvoeringshandeling en de ontwerpagenda aan het beheerscomité en het bijeenroepen van een vergadering van dit comité.

99 Ten derde moet worden vastgesteld dat de bewoordingen van verordening nr. 182/2011 met betrekking tot het vaststellen van de termijn waarbinnen het comité zijn advies uitbrengt, identiek zijn aan die welke in de comitologiebesluiten worden gebruikt. Deze tweede termijn kan door de voorzitter worden vastgesteld naargelang van de urgentie van de aangelegenheid.

100 Ten vierde wordt de invoering door artikel 3, lid 3, van verordening nr. 182/2011 van twee verschillende na te leven termijnen bevestigd door het gebruik – in de meeste taalversies van de laatste zin van deze bepaling – van het meervoud [nvdv: ook in het Frans, de procestaal van deze zaak] voor de woorden „[l]es délais sont proportionnés […]” [nvdv: in de Nederlandse tekst echter in het enkelvoud: „[d]e termijn staat in verhouding (...)”], alsook door het feit dat de derde alinea van lid 7 van dit artikel twee gelijkaardige termijnen invoert in het kader van de nieuwe beroepsprocedure.

101 Ten vijfde moet worden vastgesteld dat, hoewel de eerste van die twee termijnen „in naar behoren gemotiveerde gevallen” kan worden ingekort en de tweede „naargelang van de urgentie van de aangelegenheid” kan worden vastgesteld, beide termijnen „in verhouding [moeten staan] tot het vereiste dat de leden van het comité snel en daadwerkelijk de ontwerpuitvoeringshandeling kunnen onderzoeken en hun standpunt kenbaar kunnen maken”.

102 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de eerste termijn erop is gericht het de leden van het beheerscomité mogelijk te maken de ontwerpuitvoeringshandeling voorafgaand aan een vergadering in alle sereniteit te onderzoeken en dat de tweede termijn hen in staat moet stellen hun standpunt over dit ontwerp kenbaar te maken. Deze vaststelling wordt bevestigd door artikel 3, lid 4, van verordening nr. 182/2011, dat preciseert dat zolang „het comité geen advies heeft uitgebracht, […] elk lid van het comité wijzigingen [kan] voorstellen”.

103 Voorts dient te worden geoordeeld dat, aangezien artikel 291, lid 3, VWEU uitdrukkelijk voorziet in een controle door de lidstaten van de uitoefening door de Commissie van de haar krachtens lid 2 van dit artikel verstrekte uitvoeringsbevoegdheden, de eerste termijn eveneens beoogt de regeringen van de lidstaten – via hun leden van het beheerscomité – op de hoogte te brengen van de voorstellen van de Commissie, zodat deze regeringen door middel van interne en externe raadplegingen een standpunt kunnen formuleren om hun respectieve belangen in het beheerscomité te beschermen.

104 Zoals immers uit artikel 3, lid 7, van verordening nr. 182/2011 blijkt, vertegenwoordigen de leden van het beheerscomité deze regeringen, die over het juiste niveau van hun vertegenwoordiging in de verschillende stadia van de procedure moeten beslissen.

105 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat een praktijk die erin bestaat de ontwerpuitvoeringshandeling pas aan het beheerscomité voor te leggen tijdens de vergadering die is bijeengeroepen om deze te onderzoeken, onverenigbaar is met zowel de bewoordingen als de doelstellingen van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 182/2011. Op die manier eerbiedigt de Commissie immers niet de eerste termijn van 14 dagen.

106 Bovendien is een dergelijke praktijk in strijd met de opzet van verordening nr. 182/2011, waarvan artikel 8 de Commissie toestaat om, indien nodig, zonder voorafgaande raadpleging van het beheerscomité verordeningen vast te stellen die rechtstreeks toepasselijk zijn.

107 Ten slotte druist deze praktijk – die belet dat de leden van het beheerscomité hun standpunt kenbaar maken en wijzigingen voorstellen los van de desbetreffende vergadering – in tegen artikel 3, lid 4, eerste alinea, van deze verordening, volgens welke bepaling deze leden in staat moeten zijn om dit te doen voordat de handeling wordt vastgesteld.

108 Met betrekking tot de door de Commissie ingeroepen reden voor niet-naleving van de eerste termijn van 14 dagen, namelijk het risico voor lekken, moet worden opgemerkt dat indien die reden wordt aanvaard, dit ertoe zou leiden dat de Commissie systematisch wordt vrijgesteld van de naleving van deze eerste termijn aangezien dergelijke risico’s in beginsel altijd bestaan, zoals de Commissie zelf bevestigt. Indien wordt aangenomen dat plots een urgentie optreedt telkens wanneer een uitvoeringsverordening moet worden vastgesteld, zoals het Gerecht in de punten 113 tot en met 115 van het bestreden arrest heeft gedaan, zou dit eveneens erop neerkomen dat de uitzondering de regel wordt.

109 Overigens valt evenmin iets anders af te leiden uit de precisering in overweging 5 van verordening nr. 182/2011 dat de procedures doeltreffend moeten zijn en dat de opgedane ervaring en de daarbij gangbare praktijk tot uiting moeten komen bij de toepassing van besluit 1999/468, meer bepaald bij de vaststelling van standaarduitvoeringsverordeningen die enkel verschillen van die welke ze vervangen door de wijziging van de cijfergegevens, die zijn bijgewerkt en die op het einde van elke vergadering van het beheerscomité worden vastgesteld.

110 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat artikel 3, lid 3, van verordening nr. 182/2011 geen gangbare praktijk vastlegt maar deze substantieel wijzigt, met name door een eerste termijn van 14 dagen in te voeren en door een onderscheid te maken tussen het doel van deze termijn en het doel van de termijn die voorafgaat aan het uitbrengen van het advies van het beheerscomité, en verbiedt om deze termijnen op onevenredige wijze of op zodanige wijze in te korten dat zij hun zin verliezen.

111 Eveneens moet in herinnering worden gebracht dat het Parlement en de Raad het aantal controleprocedures hebben verminderd tot twee en dat deze procedures onderworpen zijn aan een geheel van gemeenschappelijke bepalingen ter wille van de vereenvoudiging. Indien bij de vaststelling van de meest voorkomende uitvoeringshandelingen een verschillende praktijk zou worden toegepast, zou dit in wezen erop neerkomen dat een nieuwe subcategorie van procedures wordt gecreëerd waarvoor verschillende regels gelden.

112 Voor een dergelijke keuze is er niet alleen geen enkele grondslag in verordening nr. 182/2011, maar dit zou ook ingaan tegen de uitdrukkelijke doelstellingen van de Uniewetgever.

113 Hieruit volgt dat de vaste praktijk van de Commissie mogelijkerwijs weliswaar paste in het juridische kader voordat die verordening werd vastgesteld, te weten het kader dat door de comitologiebesluiten is gedefinieerd, maar de wijzigingen van het primair recht als gevolg van de vaststelling van het VWEU en de latere wijzigingen van het afgeleid recht als gevolg van de vaststelling van verordening nr. 182/2011, verzetten zich ertegen dat deze praktijk voortduurt.

114 In de tweede plaats moeten de vereisten van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 182/2011, gelet met name op de in punten 90, 91, 94, 95 en 102 tot en met 104 van het onderhavige arrest verrichte vaststellingen, worden beschouwd als essentiële procedureregels van het VWEU die wezenlijke vormvoorschriften van de regelmatigheid van de procedure vormen waarvan de niet-inachtneming tot nietigheid van de betrokken handeling leidt (zie in die zin en naar analogie arresten van 10 februari 1998, Duitsland/Commissie, C‑263/95, EU:C:1998:47, punt 32; 24 juni 2014, Parlement/Raad, C‑658/11, EU:C:2014:2025, punt 80, en 23 december 2015, Parlement/Raad, C‑595/14, EU:C:2015:847, punt 35).

115 Het Hof heeft inzonderheid steeds geoordeeld dat de niet-inachtneming van de procedureregels voor de vaststelling van een bezwarende handeling een schending van wezenlijke vormvoorschriften oplevert en dat de Unierechter, indien hij bij het onderzoek van de betrokken handeling constateert dat deze niet op regelmatige wijze is vastgesteld, daaraan de consequenties moet verbinden die voortvloeien uit de schending van een wezenlijk vormvoorschrift en dus de door een dergelijk gebrek aangetaste handeling nietig moet verklaren (arresten van 4 september 2014, Spanje/Commissie, C‑197/13 P, EU:C:2014:2157, punt 103, en 24 juni 2015, Spanje/Commissie, C‑263/13 P, EU:C:2015:415, punt 56).

116 Zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over het argument van de Commissie dat de door Tilly-Sabco ingeroepen schending van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 182/2011 niet-ontvankelijk is, volstaat de opmerking dat het aan de Unierechter is om, wanneer hij een dergelijke niet-inachtneming vaststelt, deze ambtshalve aan de orde te stellen (arrest van 24 juni 2015, Spanje/Commissie, C‑263/13 P, EU:C:2015:415, punt 56).

117 Gelet op het voorgaande moeten het eerste tot en met het vierde onderdeel van het eerste middel gegrond worden verklaard.

118 Bijgevolg moet het bestreden arrest worden vernietigd, zonder dat de overige middelen hoeven te worden onderzocht.

Beroep in eerste aanleg

119 Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.

120 In het onderhavige geval is de zaak in staat van wijzen.

121 Gelet op de overwegingen in de punten 86 tot en met 118 van het onderhavige arrest, moet de litigieuze verordening nietig worden verklaard wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften.

Handhaving van de gevolgen van de litigieuze verordening tot de vervanging ervan door een nieuwe verordening

122 Volgens artikel 264, tweede alinea, VWEU kan het Hof, zo het dit nodig oordeelt, bepalen welke gevolgen van een nietig verklaarde handeling als definitief moeten worden beschouwd.

123 Hoewel in casu de procedure in hogere voorziening aan het licht heeft gebracht dat de litigieuze verordening in strijd met wezenlijke vormvoorschriften is vastgesteld, is niet gebleken van een vergissing die afdoet aan de overeenstemming van deze handeling – die maatregelen voor de uitvoering van verordening nr. 1234/2007 bevat – met laatstgenoemde verordening.

124 De nietigverklaring van de litigieuze verordening zonder de gevolgen ervan te handhaven totdat deze verordening is vervangen door een nieuwe handeling, zou niet enkel schade toebrengen aan die uitvoering maar ook de rechtszekerheid aantasten.

125 Derhalve moeten de gevolgen van de litigieuze verordening worden gehandhaafd tot de inwerkingtreding van een ter vervanging ervan vast te stellen nieuwe handeling.

Kosten

126 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof zelf de zaak afdoet.

127 Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.

128 Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van Tilly-Sabco te worden verwezen in de kosten.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart:

1) Het arrest van het Gerecht van 14 januari 2016, Tilly-Sabco/Commissie (T‑397/13, EU:T:2016:8), wordt vernietigd.

2) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 689/2013 van de Commissie van 18 juli 2013 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee, wordt nietig verklaard.

3) De gevolgen van uitvoeringsverordening nr. 689/2013 worden gehandhaafd tot de inwerkingtreding van een ter vervanging ervan vast te stellen nieuwe handeling.

4) De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken