Art. 2 Verordening (EG) nr. 708/2007, Toepassingsgebied
1. Deze verordening is van toepassing op de introductie van uitheemse soorten en de translocatie van plaatselijk niet-voorkomende soorten voor aquacultuurdoeleinden in de Gemeenschap, die geschieden nadat deze verordening overeenkomstig artikel 25, lid 1, toepasselijk is geworden.
2. Deze verordening is niet van toepassing op de translocatie van plaatselijk niet-voorkomende soorten binnen een lidstaat, met uitzondering van gevallen waarin wetenschappelijk advies duidt op mogelijke gevaren voor het milieu als gevolg van de translocatie. Indien overeenkomstig artikel 5 een raadgevend comité is aangewezen, is dat comité verantwoordelijk voor de beoordeling van de risico’s.
3. De verordening is van toepassing op alle aquacultuuractiviteiten die onder de jurisdictie van de lidstaten vallen, ongeacht de grootte of kenmerken ervan. De verordening bestrijkt alle uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende aquatische organismen die worden gekweekt. De verordening is van toepassing op aquacultuur, ongeacht het aquatische systeem.
4. Deze verordening is niet van toepassing op het houden van sierwaterdieren of -planten in dierenwinkels, tuincentra, afgesloten tuinvijvers of aquaria die voldoen aan artikel 6 van Beschikking 2006/656/EG van de Commissie van 20 september 2006 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften en certificeringsvoorschriften voor de invoer van vissen voor sierdoeleinden (9), of in voorzieningen die zijn uitgerust met effluentbehandelingssystemen die aan de doelstellingen van artikel 1 voldoen.
5. De verordening, met uitzondering van de artikelen 3 en 4, is niet van toepassing op de in bijlage IV opgenomen soorten. De in artikel 9 bedoelde risicobeoordeling is niet van toepassing op de in bijlage IV opgenomen soorten, behalve wanneer de lidstaten maatregelen wensen te nemen om het gebruik van de betrokken soorten op hun grondgebied te beperken.
6. Er is geen voorafgaande milieurisicobeoordeling nodig voor verplaatsingen van uitheemse of plaatselijk niet-voorkomende soorten die zullen worden gehouden in gesloten aquacultuurvoorzieningen, behalve wanneer de lidstaten gepaste maatregelen wensen te nemen.
7. De introductie en de translocatie voor gebruik in gesloten aquacultuurvoorzieningen kunnen in de toekomst, op basis van nieuwe wetenschappelijke informatie en nieuw wetenschappelijk advies, worden vrijgesteld van het in hoofdstuk III bedoelde vergunningsvereiste. Vooruitgang in het wetenschappelijk inzicht in de biobeveiliging van moderne gesloten systemen wordt onder meer verwacht van door de Gemeenschap gefinancierd onderzoek inzake uitheemse soorten. Uiterlijk op 31 maart 2009 zal hierover worden beslist volgens de in artikel 24 omschreven procedure.