Art. 11 Verordening (EG) nr. 1857/2006, Steun met betrekking tot door ongunstige weersomstandigheden veroorzaakte verliezen

Verordening (EG) nr. 1857/2006

1. Steun om de landbouwers te vergoeden voor verlies van planten, dieren of landbouwbedrijfsgebouwen als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag en vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag, indien hij voldoet aan de in de leden 2 tot en met 6, 9 en 10 van dit artikel vastgestelde voorwaarden wat planten of dieren betreft en aan de in de leden 3 tot en met 8 en lid 10 van dit artikel vastgestelde voorwaarden wat de landbouwbedrijfsgebouwen betreft.

2. De brutosteunintensiteit mag niet meer bedragen dan 80 % van de door de ongunstige weersomstandigheden veroorzaakte daling van de verkoopinkomsten, en niet meer dan 90 % van die daling in probleemgebieden of in de in artikel 36, onder a), i), ii) en iii), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen overeenkomstig de artikelen 50 en 94 van die verordening. Die inkomensdaling wordt berekend door het onder a) bedoelde cijfer in mindering te brengen op het onder b) bedoelde cijfer:

a) de hoeveelheid van het product die is geproduceerd in het jaar waarin de ongunstige weersomstandigheden zich hebben voorgedaan, vermenigvuldigd met de in dat jaar verkregen verkoopprijs;

b) de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid die is geproduceerd in de laatste drie jaar (of het gemiddelde van drie jaren van de laatste vijf jaren, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend) vermenigvuldigd met de gemiddelde verkregen verkoopprijs.

Het aldus verkregen voor steun in aanmerking komende bedrag kan worden verhoogd met andere kosten die de landbouwer speciaal heeft gemaakt omdat hij vanwege de ongunstige weersomstandigheden niet kon oogsten.

3. Het maximumbedrag van de op grond van lid 1 voor steun in aanmerking komende verliezen moeten worden verminderd met:

a) in het kader van verzekeringsregelingen ontvangen bedragen, en

b) kosten die door andere factoren dan de ongunstige weersomstandigheden zijn veroorzaakt.

4. Het verlies moet worden berekend op het niveau van het landbouwbedrijf.

5. De steun moet rechtstreeks aan de betrokken landbouwer worden betaald of aan een producentenorganisatie waarvan de landbouwer lid is. Indien de steun aan een producentenorganisatie wordt betaald, mag het steunbedrag niet beduidend hoger zijn dat het steunbedrag dat aan de landbouwer zou worden toegekend.

6. Indien een vergoeding wordt betaald voor schade aan landbouwbedrijfsgebouwen en -materieel die is veroorzaakt door ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, mag die schadevergoeding een maximale brutointensiteit hebben van 80 %, en van 90 % in probleemgebieden of in de in artikel 36, onder a), i), ii) en iii), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen overeenkomstig de artikelen 50 en 94 van die verordening.

7. Ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, moeten door de openbare autoriteiten officieel als zodanig worden erkend.

8. Vanaf 1 januari 2010 moeten vergoedingen met 50 % worden verminderd, tenzij die worden betaald aan landbouwers die een verzekering hebben afgesloten voor ten minste 50 % van hun gemiddelde jaarlijkse productie of van hun gemiddelde jaarlijkse productiegerelateerde inkomen en voor de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat of regio.

9. Vanaf 1 januari 2011 mag steun voor door droogte veroorzaakte verliezen alleen worden betaald indien de betrokken lidstaat artikel 9 van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (15) volledig heeft omgezet in de landbouwsector en erop toeziet dat die sector een passende bijdrage levert voor de vergoeding van de kosten van aan de landbouw geleverde waterdiensten.

10. De steunregelingen moeten uiterlijk drie jaar na het ontstaan van de uitgaven of het verlies worden ingevoerd. De steun moet binnen vier jaar na die gebeurtenis worden betaald.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen