Art. 10 Verordening (EG) nr. 1857/2006, Steun met betrekking tot dier- en plantenziekten en plagen
Verordening (EG) nr. 1857/2006
1. Steun om landbouwers te vergoeden voor de kosten in verband met de voorkoming en uitroeiing van dier- of plantenziekten of plagen, gezondheidscontroles, testen en andere controlemaatregelen, aankoop en toediening van vaccins, geneesmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen, de slacht en vernietiging van dieren en de vernietiging van gewassen, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag en vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag, indien hij aan de volgende voorwaarden en aan de in de leden 4 tot en met 8 van dit artikel vastgestelde voorwaarden voldoet:
a) de brutosteunintensiteit mag niet meer bedragen dan 100 %;
b) de steun wordt in natura in de vorm van gesubsidieerde diensten toegekend en mag niet de vorm aannemen van rechtstreekse geldelijke betalingen aan de producent.
2. Steun om landbouwers te vergoeden voor door dier- of plantenziekten of plagen veroorzaakte verliezen is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag en vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag, indien hij aan de volgende voorwaarden en aan de in de leden 4 tot en met 8 van dit artikel vastgestelde voorwaarden voldoet:
a) de vergoeding mag uitsluitend worden berekend op basis van:
i) de marktwaarde van de aan de ziekte of plaag gestorven dieren of planten, of van de dieren of planten die op bevel van de overheid worden vernietigd in het kader van een verplicht openbaar preventie- of uitroeiingsprogramma;
ii) inkomensverliezen ten gevolge van quarantaineverplichtingen en moeilijkheden bij het herbevolken of heraanplanten van het bedrijf;
b) de brutosteunintensiteit mag niet meer bedragen dan 100 %;
c) er mag slechts steun worden toegekend met betrekking tot verliezen die worden veroorzaakt door ziekten waarvan de uitbraak officieel door de openbare autoriteiten is erkend.
3. Het maximumbedrag van de op grond van de leden 1 en 2 voor steun in aanmerking komende kosten of verliezen moet worden verminderd met:
a) in het kader van verzekeringsregelingen ontvangen bedragen, en
b) niet vanwege de ziekte gemaakte kosten die zonder de ziekte zouden zijn gemaakt.
4. De betalingen moeten betrekking hebben op ziekten of plagen waarvoor wettelijk, bestuursrechtelijk of administratief vastgestelde communautaire of nationale bepalingen gelden. De betalingen moeten worden gedaan in het kader van een communautair, nationaal of regionaal openbaar programma ter voorkoming, beheersing of uitroeiing van de betrokken ziekte of plaag. Het programma dient een duidelijke identificatie van de betrokken ziekte of plaag, alsmede een beschrijving van de desbetreffende maatregelen te bevatten.
5. De steun mag geen betrekking hebben op een ziekte waarvoor de communautaire wetgeving in specifieke heffingen ter financiering van controlemaatregelen voorziet.
6. Is in de communautaire wetgeving bepaald dat de kosten van bepaalde maatregelen door het landbouwbedrijf moeten worden gedragen, dan mag voor die maatregelen evenmin steun worden toegekend, tenzij deze steun volledig wordt bekostigd uit de opbrengsten van verplichte heffingen voor de producenten.
7. Wat dierziekten betreft, wordt steun toegekend voor de ziekten die zijn vermeld in de lijst van dierziekten die is opgesteld door de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) en/of in de lijst van dierziekten die is opgenomen in de bijlage bij Beschikking 90/424/EEG van de Raad (14).
8. De steunregelingen moeten uiterlijk drie jaar na het ontstaan van de uitgaven of het verlies worden ingevoerd. De steun moet binnen vier jaar na die gebeurtenis worden betaald.